Met groot genoegen heb ik uwen belangryken en wydloopigen brief[1] gelezen, en ik bedank u, uit ganscher herte, voor al de moeite die gy gedaen hebt, om myne verschillige vragen te beantwoorden.
Ik weet genoeg aengaende de Statuten der Gilde van St Gillis, en aengezien gy alles uitgepluischt hebt dat eenigzins curieus is, my dunkt dat het vruchtelooze moeite ware de statuten, zoo als zy gaen, te doen uitschryven.[2]
Uwe bemerkingen rakende de Pluime[3] schynen my geheel natuerlyk en gegrond.[4]
Vroeger reeds hadt gy my bekend gemaekt met hetgene Menzel schryft over St Gillis,[5] en gy hebt het gedrukt in ‘t Jaer 30, zaliger gedachtenis (Augusty of 7ber 1864);[6] ik wil spreken van de legende der dry lelien. Zoude Menzel St Gillis, eenen der eerste gezellen van St Franciscus van Assizië,[7] niet genomen hebben voor St Gillis van Athenen?
Uitnemende geerne zoude ik lezen wat de Vryheid schryft, in haer nummer van 14 Juny[8] laetstleden, over O.L.V. ten Olme; ongelukkiglyk ik bezit dit blad niet, en waer hetzelve gezocht?
p2Onderpastor van O.L.V., Kortryk.







