<Resultaat 1918 van 2965

>

p1
Eerweerde Heer & vriend,

Gij zult in Biekorf den doopact van Mgr De Neckere[1] en van Mgr Lefevere[2] gezien hebben.[3] Van den eersten hebt gij mij eenige bezonderheden beloofd; van den anderen ware 't mij ook dankelijk. Ik heb hier twee brieven van Pastor Donche van Vladszeele, afschriften, geteekend uit mijne schuilplaatse, aan mijne parochianen.[4] Gij zult ze hebben als gij mij wilt iets zenden aangaande dien braven man, om in Biekorf.[5] Waar was die schuilplaatse? Hoe naar bestond die Pastor met N.N. Donche S.J.[6] die te Rousselaere op den Jubilé van 't Seminarie[7] was en die mij eigenmondig zei dat p2hij de waakmeester of surveillant geweest hadde van Alf. de la Martine?[8]

Ben ulieden zeer toegenegen
Guido Gezelle

Noten

[1] Onderstreping in blauw potlood.
[2] Onderstreping in blauw potlood.
[3] Leo Deneckere in: G. Gezelle, Mengelmaren. In: Biekorf 1, (1890) 11, p.175. Mgr. Lefevere vonden we niet terug.
[4] De brieven van Constantijn Donche, die zich na het verbanningsbesluit van november 1798 tegen de onbeëdigde priesters op zijn parochie in Vladslo schuilhield, bevatten voornamelijk waarschuwingen aan zijn parochianen, onder meer tegen de beëdigde priesters. (P. Couttenier, Gezelles project voor een geschiedenis van de Kortrijkse armenkamer, in: Gezelliana: 14 (1985), 3-4, p.128, met verwijzing naar A. Marlier, Lodewijk-Vincent Donche. Societatis lesu (1768-1857). Stichter van de Zusters der Christelijke Scholen van den Heiligen Jozef Calasanz te Vorselaar. Leuven, 1948, p.113).
[5] Niet verschenen in Biekorf, mogelijk omdat het onderwerp reeds eerder aan bod kwam in Rond den Heerd via een ingezonden brief van Omicron (Leopold Slosse) in: Rond den Heerd: 3 (25 juli 1868) 35, p.277. ”In de kerkpapieren van Vladsloo rust er een zeer lange “herderlijcken brief” van Pastor Donche, waarin hij, gedoken op eene hofstede, om den slechten tijd de Franse bezetting, zijne schapen op het bewegelijkste vermaant en onderwijst nopens de wolven en de slechte leeringen, die welhaast in zijne dierbare kudde zouden binnengeslopen hebben.” (P. Couttenier, Gezelles project voor een geschiedenis van de Kortrijkse armenkamer, in: Gezelliana: 14 (1985), 3-4, p.128).
[6] Constantinus Felix Donche en Lodewijk-Vincent Donche waren broers van elkaar. P. Couttenier verwijst hiervoor naar een ingezonden brief van 11/06/1868 van O. (=Ernest Rembry) in: Rond den Heerd: 3 (13 juni 1868), p.230.) In: Rond den Heerd: 7 (3 augustus 1872) 36, p.312 is ook de stamboom van de familie Donche te lezen). P. Couttenier vond ook een biografische notitie over Constantinus Felix Donche terug van Ernest Rembry, mogelijk als antwoord op voorliggende brief ”(zoon van Nicolaus Franciscus Donche en Maria Cecilia Rosa Vercruysse,) geboren te Brugge, den 4 Juny 1763. Primus Academicus te Leuven 18 Aug. 1784. Priester gewijd 14 Sept. 1787. J.U.L. - S.T.B. Kanonik en Scholaster van O.L.V. Kerk te Brugge 20 Oct. 1794. Pastor te Vladsloo, by Dixmude 20 Juny 1796. Geprofest in de abdy van O.L.V. van Latrappe orde der Trappisten, te d'Artveldt Darfeld, by Münster, onder den naem van Joannes-Maria 24 Juny 1803. Vertrokken naer de Missien van Noord-America 1 Mei 1806. Overleden in den Kentucky (Noord-America) - 14 Mei 1808.” (Archief Viaene 1980, 49/2 H + J), zie P. Couttenier, Gezelles project voor een geschiedenis van de Kortrijkse armenkamer, in: Gezelliana: 14 (1985), 3-4, p.127-128.
[7] Jubelfeest bij het vijftigjarig bestaan van het kleinseminarie te Roeselaere op 11 augustus 1856 (P. Couttenier, Gezelles project voor een geschiedenis van de Kortrijkse armenkamer, in: Gezelliana: 14 (1985), 3-4, p.126).
[8] Van januari 1803 tot september 1807 verbleef L. Donche in het college van Belley (Frankrijk), een instelling van de Pères de la Foi. Hij werkte er als prefect en surveillant. In diezelfde periode was ook de latere staatsman en dichter Alphonse de Lamartine (1790-1869) vier jaar lang student aan dit college. (P. Couttenier, Gezelles project voor een geschiedenis van de Kortrijkse armenkamer, in: Gezelliana: 14 (1985), 3-4, p.127).

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamRembry, Ernest
Datums° Moorsele, 22/01/1835 - ✝ Brugge, 14/05/1907
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; ondersecretaris; secretaris; vicaris-generaal; historicus
BioErnest Rembry, zoon van Jean-Aimé Rembry, geneesheer, en Clementine-Amande Delva, studeerde aan het college te Menen en kerkelijk recht te Leuven waar hij op 11/07/1859 zijn baccalaureaat behaalde. Hij werd op 29/05/1858 tot priester gewijd. Op 09/07/1859 werd hij onderpastoor van Sint-Gillis te Brugge. Hij schreef een geschiedenis van de Sint-Gilliskerk, van haar pastoors en van alle gebeurtenissen en belangrijke personen op deze parochie, door de eeuwen heen. Hij werd op 02/01/1862 ondersecretaris van het bisdom Brugge, op 24/11/1873 erekanunnik en op 29/08/1884 secretaris en officiaal. Op 20/04/1885 werd hij titulair kanunnik en op 31/05/1894 vicaris-generaal. Hoe hoger hij steeg in aanzien en vertrouwen bij de kerkelijke overheid, hoe meer hij ook Gezelle kon helpen. Hij was betrokken bij de stichting van het tijdschrift 'Rond den Heerd' en hij publiceerde ook in het tijdschrift 'Biekorf'. Hij las zijn laatste mis in de Sint-Jacobskerk op 9 mei 1904 om enkele dagen later te sterven.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Caroline Verstraeten, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899, Gent, 1987 (Gentse bijdragen tot de literatuurstudie, nr. 10).

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamRembry, Ernest
Datums° Moorsele, 22/01/1835 - ✝ Brugge, 14/05/1907
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; ondersecretaris; secretaris; vicaris-generaal; historicus
BioErnest Rembry, zoon van Jean-Aimé Rembry, geneesheer, en Clementine-Amande Delva, studeerde aan het college te Menen en kerkelijk recht te Leuven waar hij op 11/07/1859 zijn baccalaureaat behaalde. Hij werd op 29/05/1858 tot priester gewijd. Op 09/07/1859 werd hij onderpastoor van Sint-Gillis te Brugge. Hij schreef een geschiedenis van de Sint-Gilliskerk, van haar pastoors en van alle gebeurtenissen en belangrijke personen op deze parochie, door de eeuwen heen. Hij werd op 02/01/1862 ondersecretaris van het bisdom Brugge, op 24/11/1873 erekanunnik en op 29/08/1884 secretaris en officiaal. Op 20/04/1885 werd hij titulair kanunnik en op 31/05/1894 vicaris-generaal. Hoe hoger hij steeg in aanzien en vertrouwen bij de kerkelijke overheid, hoe meer hij ook Gezelle kon helpen. Hij was betrokken bij de stichting van het tijdschrift 'Rond den Heerd' en hij publiceerde ook in het tijdschrift 'Biekorf'. Hij las zijn laatste mis in de Sint-Jacobskerk op 9 mei 1904 om enkele dagen later te sterven.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Caroline Verstraeten, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899, Gent, 1987 (Gentse bijdragen tot de literatuurstudie, nr. 10).

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamDonche, Lodewijk Ludovicus Vincent
Datums° Brugge, 18/07/1769 - ✝ Leuven, 14/10/1857
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pater; jezuïet; overste
BioLodewijk Donche werd geboren in 1769 en was de zoon van Nicolaas, een adellijk Brugs koopman, en Maria-Cecilia Vercruysse (1730-1808). Maria-Cecilia was de zus van Dominique Vercruysse, de stichter van de Kortrijkse Armenkamer. Het gezin Donche was zeer welstellend en vroom. Lodewijk werd tot priester gewijd te Keulen op 18 september 1795. Hij werd assistent op de Brugse Sint-Gillisparochie en in 1796 onderpastoor te Watervliet. Als onbeëdigd priester dook hij in 1797 onder en kreeg hij de opdracht om tijdens een geënsceneerde ‘inbraak’ de relikwie van het H. Bloed te ‘stelen’ en in veiligheid te brengen. Hij verborg ze eerst in zijn ouderlijk huis in de Schuttersstraat en in 1812 in de woning van Gertrude de Pélichy in de Dweersstraat. Vanaf 1802 was hij in Parijs werkzaam als Pater van het Geloof in Frankrijk, vanaf 1807 te Roeselare als leraar en predikant in het pas gestichte kleinseminarie. Later was hij predikant te Kortrijk en erekanunnik te Gent. Bij de heroprichting van de jezuïetenorde in 1814 was hij medeoprichter van het noviciaat te Rumbeke en trad hij zelf ook in op 31 september 1814. Hij werd vervolgens overste van de jezuïeten in Amsterdam. In november 1819 nam hij ontslag uit de jezuïetenorde. Tijdens de Franse en Hollandse tijd kende zijn loopbaan als godsdienstleraar, predikant en oprichter van armenscholen een bewogen verloop. De paus verleende hem de eretitel ‘apostolisch protonotaris’, maar zijn uitgesproken meningen en vurige predicaties brachten hem regelmatig in aanvaring met de burgerlijke én kerkelijke autoriteiten. Van 1819 tot 1831 werd hij door de aartsbisschop geschorst. Na de Belgische revolutie kreeg hij eerherstel en bouwde hij zijn netwerk van armenscholen verder uit. In 1834 verkreeg hij dat de ongehuwde juffrouwen, die lesgaven in zijn armenscholen, konden intreden in een vanaf dan officieel erkende religieuze congregatie, genaamd de 'Zusters der Christelijke Scholen', met een goedgekeurde leefregel en met Donche als overste. In 1843 deed hij zijn herintrede bij de jezuïeten (Namen). Hij legde zijn laatste gelofte op af 15 augustus 1845 (profes) en ging op rust in 1847 in het jezuïetencollege te Gent. Hij stierf te Leuven op 14 oktober 1857. Hij was de broer van Constantinus Felix Donche. Gezelle was in hem hem geïnteresseerd vanwege zijn relatie met het heilig bloed te Brugge, Het Kleinseminarie te Roeselare en de Armkamer te Kortrijk. Hij ontmoette hem op 11 augustus 1856 op het Jubileumfeest van het Kleinseminarie.
Links[odis]
BronnenP. Couttenier, Gezelles project voor een geschiedenis van de Kortrijkse armenkamer. Gezelliana: 14 (1885) 1-2, p.78-128
Naamde Lamartine, Aphonse Marie Louis de Prat
Datums° Mâcon, 21/10/1790 - ✝ Parijs, 28/02/1869
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; historicus; staatsman
VerblijfplaatsFrankrijk
BioAlphonse de Lamartine was een Frans dichter, romanschrijver, dramaturg, historicus en politicus, en een van de grote figuren van de Franse romantiek. Zijn jeugd in Milly en zijn tragische liefde voor Julie Charles inspireerden zijn beroemde "Méditations poétiques" (1820), waarmee hij grote literaire roem verwierf. Zijn lyrische poëzie, vaak getekend door thema’s als natuur, liefde en dood, maakte hem tot een van de meest bewonderde Franse dichters van de 19e eeuw, die ook in Vlaanderen veel navolging kende. In 1829 werd hij verkozen tot lid van de Académie française. Na diplomatieke functies wijdde hij zich vanaf 1830 aan de politiek. Hij werd in 1833 verkozen tot volksvertegenwoordiger en speelde in 1848 een sleutelrol bij de uitroeping van de Tweede Republiek. Zijn presidentskandidatuur datzelfde jaar mislukte echter, waarna hij zich uit het politieke leven terugtrok. In zijn latere jaren schreef hij naast historische werken ook populair-literaire teksten om zijn financiële problemen te lenigen. Lamartine stierf op 28 februari 1869 in Saint-Point.
Links[wikipedia]
NaamDeneckere, Leo Raymond
Datums° Wevelgem, 06/06/1800 - ✝ New Orleans, 04/09/1833
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; missionaris; bisschop; Lazarist
VerblijfplaatsVerenigde Staten
BioLeo Deneckere, geboren in Wevelgem op 6 juni 1800, vertrok in 1817 als seminarist naar de Verenigde Staten. Hij trad toe toe tot de congregatie van de Lazaristen. Hij werd tot priester gewijd op 13 oktober 1822 en op 4 augustus 1829 benoemd tot bisschop van New Orleans. Zijn bisschopswijding volgde op 24 juni 1830. Slechts drie jaar later overleed hij daar op 33-jarige leeftijd. In 1890 berichtte "Biekorf" over de afbraak van zijn geboortehuis in Wevelgem.
Links[odis]
NaamDonche, Constantinus Felix
Datums° Brugge, 04/06/1763 - ✝ Kentucky, 14/05/1808
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; missionaris
BioConstantinus Felix Donche werd geboren in Brugge op 4 juni 1763 als zoon van Nicolaus Franciscus Donche en Maria Cecilia Rosa Vercruysse. Hij studeerde aan de Universiteit van Leuven, waar hij op 18 augustus 1784 als primus academicus werd erkend. Hij behaalde het licentiaat in beide rechten en het baccalaureaat in theologie. Op 14 september 1787 werd hij te Brugge tot priester gewijd en op 14 januari 1789 werd hij kapelaan aan de Sint-Annakerk te Brugge. Op 20 oktober 1794 werd hij kanunnik van het O.L.-Vrouwekapittel in Brugge en vanaf 31 juli 1795 tevens biechtvader van de zusters apostolinnen te Brugge. Op 27 februari 1796 werd hij scholaster van het O.L.-Vrouwekapittel, en op 15 juni 1796 volgde zijn aanstelling als pastoor te Vladslo, Sint-Maartenskerk. Uit die periode bleef een lange herderlijke brief bewaard, waarin hij zijn parochianen waarschuwde tegen de “wolven en slechte leringen” van de Franse bezetting. In 1797 weigerde hij de eed van trouw aan het nieuwe Franse koninkrijk af te leggen. Op 30 april 1802 vroeg hij toestemming om toe te treden tot de trappisten in Westfalen; aanvankelijk werd deze geweigerd, maar op 4 juni 1802 kreeg hij de toelating. Op 24 juni 1803 legde hij zijn professie af in de abdij Artveldt onder de kloosternaam Joannes Maria. Op 1 mei 1806 vertrok hij naar Noord-Amerika om te werken in de missies. Daar overleed hij in 1808 in Kentucky. Hij was de broer van Lodewijk-Vincent Donche.
Links[odis]
BronnenP. Couttenier, Gezelles project voor een geschiedenis van de Kortrijkse armenkamer. Gezelliana: 14 (1885) 1-2, p.78-128
NaamLefevere, Pieter-Paul
Datums° Roeselare, 29/04/1804 - ✝ Detroit, 04/03/1869
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; missionaris; bisschop; Lazarist
VerblijfplaatsVerenigde Staten
BioPieter Lefevere werd geboren in Roeselare op 29 april 1804 als zoon van landbouwer Carolus Lefevere en Albertina Muylle. Hij trad in bij de Lazaristen in Parijs en werd op 20 november 1831 priester gewijd te Saint Louis door bisschop Rosati. Op 21 november 1841 werd hij gewijd tot titelvoerend bisschop van Zela en hulpbisschop van Detroit. Het jaar ervoor kwam hij voor het eerst terug naar Roeselare, waar hij in het kleinseminarie een spreekbeurt hield. Op 15 juni 1867 wijdde hij in de kathedraal van Brugge dertien diakens tot priester. Hij overleed in 1869 te Detroit. "Rond den Heerd" wijdde in 1877 een vervolgverhaal aan hem.
Links[odis]

Naam - plaats

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk
NaamRoeselare
GemeenteRoeselare
NaamVladslo
GemeenteDiksmuide

Naam - instituut/vereniging

Naamkleinseminarie Roeselare
BeschrijvingHet klein seminarie werd opgericht onder het Frans bewind en herstartte officieel in 1830 als bisschoppelijk college. In 1846 werden de Latijnse klassen aangevuld met een handelsafdeling Saint-Michel, waaraan ook een lagere basisschool verbonden was. Dit Sint-Michielsinstituut fungeerde als een voorbereiding op de humaniora. Het klein seminarie trok heel wat katholieke leerlingen uit Engeland en Ierland aan. In 1849 werd hiervoor een aparte Engelse afdeling opgericht. Vanaf hetzelfde jaar werd ook een filosofieafdeling ingericht als voorbereiding op de priesteropleiding. Gezelle volgde er secundair onderwijs van 1 oktober 1846 tot 19 augustus 1850. Vanaf 21 maart 1854 tot 21 augustus 1860 kwam hij er terug als leerkracht. Zijn eerste drie bundels waren nauw verbonden met deze periode. Ook nadien hield hij een intens contact met zijn oud-leerlingen.
Datering1830
Links[odis], [wikipedia]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelBiekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Links[gezelle.be]

Titel16/06/1890, Kortrijk, Guido Gezelle aan [Ernest Rembry ?]
EditeurKoen Calis
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKoen Calis, Gezelle Guido aan Rembry Ernest?, Kortrijk (Kortrijk), 16/06/1890. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Rembry, Ernest??]?
Verzendingsdatum16/06/1890
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieLocatie origineel: brief is aanwezig in het: Bisschoppelijk Archief Brugge:BAB, N 66 (s.v. Donche); adressaat gereconstrueerd op basis van publicatie en onzeker.
Gepubliceerd inGezelles project voor een geschiedenis van de Kortrijkse armenkamer : feiten, teksten en kommentaar / door P. Couttenier. - In: Gezelliana: Jrg. 14 (1985) nr. 3-4, p. 126
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 267 mm
papier, wit, rechthoekig geruit
papiersoort: 2 zijden beschreven, inkt, zwart
Staat volledig
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsBisschoppelijk Archief Brugge
ID GezellearchiefBisschoppelijk Archief Brugge BAB, N 66 (s.v. Donche)
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.94799
Inhoud
IncipitGy zult in Biekorf den doopact
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.