Zonder sterker bewijs als het zeggen van Pater Delplace, die van oorspronge een zeer kwade naamontleder is, en zou ik de vertalinge pijnappel = pinnaculum niet aanveerden.
Pinna= vlerke, pinnaculum = vlerkske, top van vlerke, top van een gebouw. 't Is nochtans merkweerdig dat men in 't vlaamsch het woord pijnboompere gebruikt om het toppelke van eenen torre, b.v eenen name te geven, zie Loquela 1883, hlfz. 73[1] en 81[2] en dat pignon in 't fransch 1° 't zaad van den pijnappel, 2° geveltop beteekent. Pignon à redens, trapgevel. Op den top van sommige trapgevels, staander, dunkt mij, te Brugge pijnappels, een steenen pijnappel, bij wijze van topversiersel. Pignon is ook bergtop, in 't fransch, zegt Ménage, die Le pignon d'Alger, le pignon de Velez opgeeft tot bewijs. Geen een van de fransche uitleggers en ziet daar pignon = pijnappel in, p2allen zoeken en tasten elderwaards, b.v. tignum[3] (= pignum = pignon!) pinna, pinnula = pignon; pen keltisch = scherp, apennins, bi-pennis, enz.
Men zegt le cône d'une montagne en les cônes du pin. In de oude houten huizen zal de pijnappel dikwijls tot versier gebezigd geweest zijn; aan de zwitsersche houten uurwerken de la forêt noire hangender looden pijnappels dienende voor gewichten.
Ik vermoede dat fransche pignon de maison en pignon pijnboomvrucht één en 't zelfste woord is, maar of ware ook mijn vermoeden bewezen, dat en zou Pater Delplace nog geen gelijk geven.






