Gedachtenis van de Eerste-Communie van Joufvrouw Blanca Malfait, gedaan te Kortrijk den 22 Maarte 't jaar O.H. 1877.[1]
Nog nauwlijks heft een blomke of twee[2]
zijn kopken uit de groene wee
en zoekt de zonnestralen,
of blanker blomkes gansch een stoet
de blijde wegen schittren doet
omtrent de kerkportalen.
zijn kopken uit de groene wee
en zoekt de zonnestralen,
of blanker blomkes gansch een stoet
de blijde wegen schittren doet
omtrent de kerkportalen.
Ik zie daar een, zijn name is blank,
gelijk zijn' kleêren, wit en lang:
zijn' kinderlijke leden
bewegen of 't een Engel waar,
die, in een witten wolksamaar,
de kerk kwame ingetreden.
gelijk zijn' kleêren, wit en lang:
zijn' kinderlijke leden
bewegen of 't een Engel waar,
die, in een witten wolksamaar,
de kerk kwame ingetreden.
Dat is ons kind! God riep, het kwam
en 't broodgelijkend Offerlam
mocht in zijn herte dalen;
zijn hert, dat kloppend d'eersten keer,
uit onz' twee herten kwam weleer
zijn' levensloop te halen.
en 't broodgelijkend Offerlam
mocht in zijn herte dalen;
zijn hert, dat kloppend d'eersten keer,
uit onz' twee herten kwam weleer
zijn' levensloop te halen.
Leeft lustig voort dan, kindtje, en laat
vooruit, waar God u wilt en waar
gij moogt, met ons, uw oudrenpaar,
een eeuwiglijk verblijden.
vooruit, waar God u wilt en waar
gij moogt, met ons, uw oudrenpaar,
een eeuwiglijk verblijden.
G.G.
Drukk. van Félix Vanderghinste, Kortrijk.
Drukk. van Félix Vanderghinste, Kortrijk.






