Gave, frisch en gezond nog menigvuldige jaren!
Doctor R. Adriaens
Zedelghem.
| < | Resultaat 2947 van 2965 | > |
|---|
Gave, frisch en gezond nog menigvuldige jaren!
Doctor R. Adriaens
Zedelghem.
| Naam | Adriaens, René Frans |
|---|---|
| Datums | ° Zedelgem, 14/11/1855 - ✝ Zedelgem, 16/09/1900 |
| Geslacht | Mannelijk |
| Beroep | arts |
| Bio | Renatus Franciscus Adriaens was de zoon van Henri Adriaens en Sophie-Rosalie Coene. Hij studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare en was er klasgenoot van Rodenbach in de wonderklassen Poësis (1874-75) en Rhetorica (1875-76) bij Hugo Verriest, die hem samen met drie andere klasgenoten, onder wie Rodenbach, portretteerde in zijn "Twintig Vlaamsche Koppen" (1923). Hij was er lid van de lettergilde (Société Littéraire) en werkte er mee, samen met Rodenbach, aan de Nederlandse vertaling van het Griekse treurspel "Prometheus in de boeien" van Aeschylos. Tussen 1876 en 1883 studeerde hij geneeskunde te Leuven. Tijdens zijn studietijd sloot hij zich aan bij de literaire studentenvereniging 'Met Tijd en Vlijt'. Daarnaast speelde hij een actieve rol in de nieuwe Vlaamsgezinde initiatieven die in het academiejaar 1876-1877 door enkele oud-leerlingen uit Roeselare, onder leiding van Rodenbach, werden gelanceerd in de Leuvense studentenwereld. Hij was onder meer medeoprichter en lid van de Sint-Tillogilde, de Spelersgilde en de studentenwerking van het Davidsfonds. Samen met Aloïs Bruwier vormde hij een brug naar de tweede generatie Vlaamsgezinde studenten uit West-Vlaanderen, die rond 1879 in Leuven nieuw leven blies in het studentenflamingantisme na de neergang van de Rodenbachbeweging. Met onder meer Alfons Depla en Hendrik Persyn heroprichtte hij in 1879 een spelersgilde en gaf hij enkele studentenbladen uit, waaronder "Kwaepenninck", "De Tassche" en "Onze Vlaamsche Wekker". In 1883 hielp hij mee aan de oprichting van de Westvlaamsche Gouwgilde. Na studies vestigde hij zich als geneesheer in Zedelgem, waar hij actief bleef binnen de Vlaamse beweging, onder meer als lid van de 'Swighenden Eede' (in 1884) en als redactielid van "De Vlaamsche Vlagge". Hij was abonnee van "Biekorf "en correspondent van Gezelle. Als dokter te Zedelgem was hij betrokken bij het dialectonderzoek Gezelle-Willems. |
| Relatie tot Gezelle | adressenlijst Cordelia Van De Wiele; studentenbeweging |
| Bronnen | https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/adriaens-renaat |
| Naam | Gezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori |
|---|---|
| Datums | ° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899 |
| Geslacht | Mannelijk |
| Beroep | priester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist |
| Bio | Guido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd. |
| Links | [odis], [wikipedia], [dbnl] |
| Naam | Adriaens, René Frans |
|---|---|
| Datums | ° Zedelgem, 14/11/1855 - ✝ Zedelgem, 16/09/1900 |
| Geslacht | Mannelijk |
| Beroep | arts |
| Bio | Renatus Franciscus Adriaens was de zoon van Henri Adriaens en Sophie-Rosalie Coene. Hij studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare en was er klasgenoot van Rodenbach in de wonderklassen Poësis (1874-75) en Rhetorica (1875-76) bij Hugo Verriest, die hem samen met drie andere klasgenoten, onder wie Rodenbach, portretteerde in zijn "Twintig Vlaamsche Koppen" (1923). Hij was er lid van de lettergilde (Société Littéraire) en werkte er mee, samen met Rodenbach, aan de Nederlandse vertaling van het Griekse treurspel "Prometheus in de boeien" van Aeschylos. Tussen 1876 en 1883 studeerde hij geneeskunde te Leuven. Tijdens zijn studietijd sloot hij zich aan bij de literaire studentenvereniging 'Met Tijd en Vlijt'. Daarnaast speelde hij een actieve rol in de nieuwe Vlaamsgezinde initiatieven die in het academiejaar 1876-1877 door enkele oud-leerlingen uit Roeselare, onder leiding van Rodenbach, werden gelanceerd in de Leuvense studentenwereld. Hij was onder meer medeoprichter en lid van de Sint-Tillogilde, de Spelersgilde en de studentenwerking van het Davidsfonds. Samen met Aloïs Bruwier vormde hij een brug naar de tweede generatie Vlaamsgezinde studenten uit West-Vlaanderen, die rond 1879 in Leuven nieuw leven blies in het studentenflamingantisme na de neergang van de Rodenbachbeweging. Met onder meer Alfons Depla en Hendrik Persyn heroprichtte hij in 1879 een spelersgilde en gaf hij enkele studentenbladen uit, waaronder "Kwaepenninck", "De Tassche" en "Onze Vlaamsche Wekker". In 1883 hielp hij mee aan de oprichting van de Westvlaamsche Gouwgilde. Na studies vestigde hij zich als geneesheer in Zedelgem, waar hij actief bleef binnen de Vlaamse beweging, onder meer als lid van de 'Swighenden Eede' (in 1884) en als redactielid van "De Vlaamsche Vlagge". Hij was abonnee van "Biekorf "en correspondent van Gezelle. Als dokter te Zedelgem was hij betrokken bij het dialectonderzoek Gezelle-Willems. |
| Relatie tot Gezelle | adressenlijst Cordelia Van De Wiele; studentenbeweging |
| Bronnen | https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/adriaens-renaat |
| Naam | Gezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori |
|---|---|
| Datums | ° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899 |
| Geslacht | Mannelijk |
| Beroep | priester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist |
| Bio | Guido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd. |
| Links | [odis], [wikipedia], [dbnl] |
| Naam | Adriaens, René Frans |
|---|---|
| Datums | ° Zedelgem, 14/11/1855 - ✝ Zedelgem, 16/09/1900 |
| Geslacht | Mannelijk |
| Beroep | arts |
| Bio | Renatus Franciscus Adriaens was de zoon van Henri Adriaens en Sophie-Rosalie Coene. Hij studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare en was er klasgenoot van Rodenbach in de wonderklassen Poësis (1874-75) en Rhetorica (1875-76) bij Hugo Verriest, die hem samen met drie andere klasgenoten, onder wie Rodenbach, portretteerde in zijn "Twintig Vlaamsche Koppen" (1923). Hij was er lid van de lettergilde (Société Littéraire) en werkte er mee, samen met Rodenbach, aan de Nederlandse vertaling van het Griekse treurspel "Prometheus in de boeien" van Aeschylos. Tussen 1876 en 1883 studeerde hij geneeskunde te Leuven. Tijdens zijn studietijd sloot hij zich aan bij de literaire studentenvereniging 'Met Tijd en Vlijt'. Daarnaast speelde hij een actieve rol in de nieuwe Vlaamsgezinde initiatieven die in het academiejaar 1876-1877 door enkele oud-leerlingen uit Roeselare, onder leiding van Rodenbach, werden gelanceerd in de Leuvense studentenwereld. Hij was onder meer medeoprichter en lid van de Sint-Tillogilde, de Spelersgilde en de studentenwerking van het Davidsfonds. Samen met Aloïs Bruwier vormde hij een brug naar de tweede generatie Vlaamsgezinde studenten uit West-Vlaanderen, die rond 1879 in Leuven nieuw leven blies in het studentenflamingantisme na de neergang van de Rodenbachbeweging. Met onder meer Alfons Depla en Hendrik Persyn heroprichtte hij in 1879 een spelersgilde en gaf hij enkele studentenbladen uit, waaronder "Kwaepenninck", "De Tassche" en "Onze Vlaamsche Wekker". In 1883 hielp hij mee aan de oprichting van de Westvlaamsche Gouwgilde. Na studies vestigde hij zich als geneesheer in Zedelgem, waar hij actief bleef binnen de Vlaamse beweging, onder meer als lid van de 'Swighenden Eede' (in 1884) en als redactielid van "De Vlaamsche Vlagge". Hij was abonnee van "Biekorf "en correspondent van Gezelle. Als dokter te Zedelgem was hij betrokken bij het dialectonderzoek Gezelle-Willems. |
| Relatie tot Gezelle | adressenlijst Cordelia Van De Wiele; studentenbeweging |
| Bronnen | https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/adriaens-renaat |