Het verheugt mij te vernemen dat gij te wege zijt uwe gedichten uit te geven.[4] Vele dezer las ik met groot genoegen in Biekorf.[5] Daar ligt iets eigens in den keus der stoffen en in de behandelinge, dikwijls onverwachte behandelinge, die gij die stoffen laat ondergaan. Ik laat mij voorenstaan, en denkelijk niet zonder grond, dat Vlanderen aan zijne echte kinderen veel dichterlijke stoffen levert, die 't niet moeilijk en moet zijn, voor eenen wakkeren en voor 't schoone ontvankelijken geest, als dezen die u bezielt, tot schoone gewrochten te bewerken. Durven denken dat het niet al van elders en moet komen dat de ziele deugd doet is al vele. Ik zou doen, ware ik als gij, 't gene goede vrienden[6] u geraden hebben.
p1
Ben ulieden zeer toegenegen
Guido Gezelle.
Noten
[1] Dat is de ambtswoning van de gouverneur op Burg 3 te Brugge. Het gebouw doet sinds 1815 dienst als officiële residentie. Gouwgraaf is de vervlaamsing van gouverneur.
[2] Februari.
[3] Deze brief van Gezelle werd gepubliceerd in de voorboodschap van de bundel gedichten van Noterdaeme. Hij had daarvoor Gezelles toestemming gevraagd in zijn vorige brief van 20/02/1892. De brief verscheen ook in Biekorf, ter aanbeveling van de publicatie: Mingelmaren. In: Biekorf: 3 (Lentemaand 1892) 6, p.96.
Later volgt nog een bespreking van de bundel bij het verschijnen: P., Mingelmaren. In: Biekorf: 3 (Oestmaand 1892) 3, p.239-240.
[4] Gezelle verwijst naar de vorige brief van J. Noterdaeme van 20/02/1892, waarin hij sprak over een uitgave van zijn gedichten. De bundel Gedichten van Noterdaeme verscheen inderdaad in de zomer van 1892.
[5] J. Noterdaeme, Lieve kind. In: Biekorf: 1 (1890), p.143-144; Marietje. In: Biekorf: 1 (1890), p.349-350;
Aan R.L.. In: Biekorf: 2 (1891), p.55-57; Zijn eerste stap. In: Biekorf: 2 (1891), p.76-77; Het sneeuwt. In: Biekorf: 2 (1891),p.139-140; Ach! mijn blommeke. In: Biekorf: 2 (1891), p.218-219; Octobermaand. In: Biekorf: 2 (1891), p.311; O mocht ik. In: Biekorf: 2 (1891), p.344.
[6] Edward Van Robaeys en Jan Craeynest (zie brief van J. Noterdaeme aan G. Gezelle van 20/02/1892).







