<Resultaat 2962 van 2965

>

p1
Achtbare Heer & Vriend

houtschave[1] en kende ik niet;

Leg mij nader wat scherrewerk[2] is;

de geere aandoen[3] en kende ik niet;

bachten berd[4]

onder den hals _________________;

bachten ‘t doornhutje[5] ;

‘t hooi etc. kende ik en had ik opgeschreven;

rake en spriet[6]

‘n rake en ‘ne spriet

is nog iet,

maar twee sprieten

zijn ____ nieten! [7]

Poperinghe[8] etc. en kende ik niet

Bakhuis _____________________;

paling en pasters perikel[9]

Cokelaere noene kende ik;

water of waze[10] en kende ik niet, opperbest!

preekheeren[11] klokke ___________;

Blijde toe _____________;

forketteklok ___________;

Gang te peerde __________;

hij rijdt over zijn brugge, wat is dat ???[12]

mostaard eten kende ik.

rogxerzak, wat is dat ???p2Belofte etc, kende ik.

rotske smijten[13] opperbest;

bomberlutte of bomberluite?

Vele handen alder best, dank u!

geen zand is mis ‘t moet geen sanct zijn,

“nemo (sanctus) propheta in patria sua. Evang.”[14]

Zoek maar aan en wacht u van strijden, vechten en questi zoeken, zijt uwen overheid altijd onderdanig; maak van ‘t vlaamsch geene hoofdzaak maar eene bijzake eene hulpzake ... porro unum est necessarium. Maria meliorem partem elegit quae non auferetur ab ea.[15]

Loquela tua manifestum te facit[16]

ulieden in Christo
GuidoGezelle presbyter

Groeten aan Moeder!

Noten

[1] J. Noterdaeme stuurde zijn eerste brief naar Gezelle op 09/03/1881, dit na een huisbezoek bij Gezelle waarbij die hem vroeg om woorden te verzamelen uit zijn streek. Gezelle reageert in deze brief op woorden die Jerome Noterdaeme hem in zijn eerste brief stuurde.

Gezelle nam het woord ‘houtschave’ op in Loquela, met de uitleg van Jerome Noterdaeme want hij vermeldde daarbij ‘Lo’ als herkomst, wat het geboortedorp is van Noterdaeme.

G. Gezelle, Zantekoorn. Houtschave. In: Loquela: 1 (Wiedmaand 1881) 2, p.11: “HOUTSCHAVE, de. Als de hovelingen, de bollaards, de kop- of tronkwulgen gekapt zijn, zoo legt men het afgekapte hout thoope in houtschaven; eene vimme wissen heet men ook alzoo. Geh. Loo. Schavouw, schavot en schaveelen dienen bij dit schave vergeleken te worden.”

[2] G. Gezelle, Mede blanden van hoeden. In: Loquela: 2 (Alderheiligen 1882) 7, p.63: “(...) scherrewerk schellewerk; (...)”.
[3] G. Gezelle, Zantekoorn. Geer. In: Loquela: 4 (Oestmaand 1884) 4, p.28: (...) Dat de geeren van een kleed den name geer, geere dragen om hunne spichtigheid en gelijkenisse met het ijzer van eenen spiet, blijkt hieruit dat het middeleeuwsch latijn “Bij de geeren grijpen, van de geeren schudden” vertaalt door per pilum vestimenti, etc, welk pilum eenen spicht of schicht bediedt.

Grimm, R. A. 152. En, 't is gelijk welk vierkantte of rond stuk kleeds, de oudewetsche casula, de toga, neemt een slaaplaken, b. v., het hangt van's zelfs in spits opwaards bekkende geeren of plooien langst het lijf. (...)”

[4] Een plank.
[5] Doornstruik.
[6] Rake = hark; spriet= een hooivork. In zijn eerste brief naar Gezelle op 09/03/1881, haalt Noterdaeme ’rakel en spriet’ aan, voor Gezelle. Maar Gezelle bewijst hier dat hij die uitdrukking ook in een mooie variante al kende.
[7] ’Twee sprieten zijn twee nieten.‘ Deze spreuk staat in: L.L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, Brugge: Gailliard, 1873, p.910, onder het lemma ’rakel’. Dat is een hark en een ’rake’ of ’raak’ zijn synoniemen. De Bo geeft als uitleg van dit gezegde: ”wanneer de vrouw spaarzaam is, hoewel de man een verkwister, daar blijft nog altijd iets in de menagie; maar wanneer zij beide kwistig zijn, daar blijft niets over. Een spriet is een gaffel, een vork uit hout om het hooi open te spreiden.”
[8] De uitdrukking ’hij is naar Poperinghe, uit het kaartspel’ en het gezegde: ’Poperingsche waschte‘ (zie eerste brief naar Gezelle op 09/03/1881).
[9] Perikel = gevaar.
[10] Gezelle nam dit woord op in Loquela, met de uitleg van Jerome Noterdaeme want hij vermeldde daarbij ‘Lo’ als herkomst, wat het geboortedorp is van Noterdaeme.

G. Gezelle, Zantekoorn. Waze. In: Loquela: 1 (Wiedmaand 1881), p.13: ” WAZE, de. = dun slijk, in het vrankdietsch fr. Vase. Z. De Bo: -

't Is water of waze

waar 't kalveke in verdrank!

= Is 't niet al waar 't gene dat de menschen zeggen, 't is meest altijd iets van. Geh. Loo.

Uitwijzens bovenstaanden stafrijm is waze zulk slijk waarin b. v. een kalf versmooren kan, gevolgentlijk dun slijk.”

[11] Preekheeren of Predikheren = dominicanen.
[12] In zijn antwoordbrief aan Guido Gezelle legt Noterdame uit wat dit betekent: ”Hij rijdt over zijn brugge = hij ontstaat het daarmee, hij verliest door deze of die raad niets, maar toch hij wint niet veel, hij passeert uit”.
[13] Bij L.L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, Brugge: Gailliard, 1873, p.957: onder ’Rotse’ : ”Eene rotse smijten om eenen snoek te vangen, iets geven om iets anders van meerder weerde te krijgen.“ Gezelle waardeert deze uitdrukking door Noterdaeme bezorgd.
[14] Vertaling Paul Thoen (Latijn) + uitleg: het niet aanvaarden van Jezus door het ongelovige Nazareth, die bij de vier evangelisten voorkomt: Mat. 13.57, Mar. 6.4, Luc. 4.24 (= de formulering die hier het dichtst bij komt) en Joh. 4.44 = niemand is profeet (heilige) in zijn eigen vaderland waarop het spreekwoord aansluit: niemand is sant (= Latijn sanctus: sint, heilige) in eigen land.
[15] Vertaling Paul Thoen (Latijn): Evangelie Luc. 10.42 = het slotvers van het verhaal over de ontvangst van Jezus bij Maria en Martha: voorts is maar één iets noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, dat haar niet zal ontnomen worden.
[16] Vertaling Paul Thoen (Latijn): Mat. 26.73 = Petrus wordt ontmaskerd, terwijl hij Jezus verloochent: je taal maakt duidelijk vanwaar je bent - je taal verraadt je. Dat is het motto van Gezelles taalblad Loquela!

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamNoterdaeme, Jerome; Noterdaeme, Hieronymus; Noterdaeme, Jeroom
Datums° Lo, 03/07/1862 - ✝ Sint-Andries, Brugge, 01/01/1933
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; ambtenaar; directeur; dichter
BioJerome Noterdaeme werd geboren te Lo op 3 juli 1862 als zoon van Philippus Jacobus Noterdame (landbouwer) en Amelia Virginia Dewitte (dienstbode). Hij liep eerst school aan het bisschoppelijk college te Veurne. Als student bezocht hij in 1881 Guido Gezelle bij hem thuis in Kortrijk, die hem vroeg om woorden uit zijn streek te verzamelen. Vanaf dan begonnen ze te corresponderen, waarbij Noterdaeme Gezelle naast taalmateriaal ook zijn eigen gedichten bezorgde. Op 16 augustus 1882 zwaaide hij af als rhetoricaleerling. Nog dat zelfde jaar startte hij met zijn studies rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Op 21 december 1886 was hij nog student rechten te Leuven waar hij deelnam aan de pensionering van professor Van Biervliet. Op 1 september 1887 werd Jerome Noterdaeme benoemd tot avoué bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Tijdens die periode ontving hij de Guido Gezelle in zijn huis. Op 12 april 1888 legde hij dit ambt neer. Hij verhuisde naar Brugge en werd op 13 februari 1888 benoemd is tot bureauchef bij het provinciebestuur in Brugge. Later werd hij directeur bij het provinciebestuur. Op 10 april 1888 trad hij te Brugge in het huwelijk met Marie Louise Augusta Catharina Roger (1865-1899). Het echtpaar kreeg zes kinderen. Het gezin verbleef in Collard Mansionstraat, 10 te Brugge. Na 1900 luidt het adres Langerei 30. Als auteur publiceerde hij juridische werken, proza en gedichten waaronder heel wat gelegenheidsgedichten die vaak op muziek werden gezet. Hij publiceerde ook artikels in het tijdschrift "Biekorf". Hij was bijzonder actief in het Davidsfonds zowel lokaal als bovenlokaal. In 1924 was hij medestichter van de vereniging die de oprichting van het Gezellemuseum organiseerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent
Bronnen http://www.historischekranten.be

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamNoterdaeme, Jerome; Noterdaeme, Hieronymus; Noterdaeme, Jeroom
Datums° Lo, 03/07/1862 - ✝ Sint-Andries, Brugge, 01/01/1933
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; ambtenaar; directeur; dichter
BioJerome Noterdaeme werd geboren te Lo op 3 juli 1862 als zoon van Philippus Jacobus Noterdame (landbouwer) en Amelia Virginia Dewitte (dienstbode). Hij liep eerst school aan het bisschoppelijk college te Veurne. Als student bezocht hij in 1881 Guido Gezelle bij hem thuis in Kortrijk, die hem vroeg om woorden uit zijn streek te verzamelen. Vanaf dan begonnen ze te corresponderen, waarbij Noterdaeme Gezelle naast taalmateriaal ook zijn eigen gedichten bezorgde. Op 16 augustus 1882 zwaaide hij af als rhetoricaleerling. Nog dat zelfde jaar startte hij met zijn studies rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Op 21 december 1886 was hij nog student rechten te Leuven waar hij deelnam aan de pensionering van professor Van Biervliet. Op 1 september 1887 werd Jerome Noterdaeme benoemd tot avoué bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Tijdens die periode ontving hij de Guido Gezelle in zijn huis. Op 12 april 1888 legde hij dit ambt neer. Hij verhuisde naar Brugge en werd op 13 februari 1888 benoemd is tot bureauchef bij het provinciebestuur in Brugge. Later werd hij directeur bij het provinciebestuur. Op 10 april 1888 trad hij te Brugge in het huwelijk met Marie Louise Augusta Catharina Roger (1865-1899). Het echtpaar kreeg zes kinderen. Het gezin verbleef in Collard Mansionstraat, 10 te Brugge. Na 1900 luidt het adres Langerei 30. Als auteur publiceerde hij juridische werken, proza en gedichten waaronder heel wat gelegenheidsgedichten die vaak op muziek werden gezet. Hij publiceerde ook artikels in het tijdschrift "Biekorf". Hij was bijzonder actief in het Davidsfonds zowel lokaal als bovenlokaal. In 1924 was hij medestichter van de vereniging die de oprichting van het Gezellemuseum organiseerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent
Bronnen http://www.historischekranten.be

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamNoterdaeme, Jerome; Noterdaeme, Hieronymus; Noterdaeme, Jeroom
Datums° Lo, 03/07/1862 - ✝ Sint-Andries, Brugge, 01/01/1933
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; ambtenaar; directeur; dichter
BioJerome Noterdaeme werd geboren te Lo op 3 juli 1862 als zoon van Philippus Jacobus Noterdame (landbouwer) en Amelia Virginia Dewitte (dienstbode). Hij liep eerst school aan het bisschoppelijk college te Veurne. Als student bezocht hij in 1881 Guido Gezelle bij hem thuis in Kortrijk, die hem vroeg om woorden uit zijn streek te verzamelen. Vanaf dan begonnen ze te corresponderen, waarbij Noterdaeme Gezelle naast taalmateriaal ook zijn eigen gedichten bezorgde. Op 16 augustus 1882 zwaaide hij af als rhetoricaleerling. Nog dat zelfde jaar startte hij met zijn studies rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Op 21 december 1886 was hij nog student rechten te Leuven waar hij deelnam aan de pensionering van professor Van Biervliet. Op 1 september 1887 werd Jerome Noterdaeme benoemd tot avoué bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Tijdens die periode ontving hij de Guido Gezelle in zijn huis. Op 12 april 1888 legde hij dit ambt neer. Hij verhuisde naar Brugge en werd op 13 februari 1888 benoemd is tot bureauchef bij het provinciebestuur in Brugge. Later werd hij directeur bij het provinciebestuur. Op 10 april 1888 trad hij te Brugge in het huwelijk met Marie Louise Augusta Catharina Roger (1865-1899). Het echtpaar kreeg zes kinderen. Het gezin verbleef in Collard Mansionstraat, 10 te Brugge. Na 1900 luidt het adres Langerei 30. Als auteur publiceerde hij juridische werken, proza en gedichten waaronder heel wat gelegenheidsgedichten die vaak op muziek werden gezet. Hij publiceerde ook artikels in het tijdschrift "Biekorf". Hij was bijzonder actief in het Davidsfonds zowel lokaal als bovenlokaal. In 1924 was hij medestichter van de vereniging die de oprichting van het Gezellemuseum organiseerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent
Bronnen http://www.historischekranten.be
NaamDewitte, Amelia Virginia
Datums° Nieuwkapelle, 26/12/1819 - ✝ Pollinkhove, 19/01/1897
GeslachtVrouwelijk
Beroepdienstbode
BioAmelia Virginia Dewitte werd geboren te Nieuwkapelle op 26 december 1819 als dochter van dagloner Pieter Dewitte en Euphemia Callewaert. Zij was werkzaam als dienstbode toen zij op 8 juni 1844 te Lo huwde met landbouwer Philippus Jacobus Noterdaeme. Uit dit huwelijk werd onder meer zoon Jerome Noterdaeme geboren, later bekend als correspondent van Guido Gezelle. Gezelle kende Amelia Virginia Dewitte persoonlijk en verwees in een brief naar een bezoek die ze hem ooit bracht. Na het overlijden van haar echtgenoot leefde Amelia als weduwe in bij haar dochter. Ze overleed te Pollinkhove op 19 januari 1897.
BronnenAgatha; Family search

Indextermen

Briefontvanger

Noterdaeme, Jerome

Briefschrijver

Gezelle, Guido

Correspondenten - personen

Gezelle, Guido
Noterdaeme, Jerome

Naam - persoon

Gezelle, Guido
Noterdaeme, Jerome
Dewitte, Amelia Virginia

Plaats van verzending

Kortrijk

Titel[09/03/1881 t.p.q. - 21/03/1881 t.a.q.]], Kortrijk, Guido Gezelle aan [Jerome Noterdaeme]
EditeurKarel Platteau; Marc Carlier (research); Peter Debaets (research)
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKarel Platteau; Marc Carlier (research); Peter Debaets (research), Gezelle Guido aan Noterdaeme Jerome, Kortrijk (Kortrijk), [09/03/1881 t.p.q. - 21/03/1881 t.a.q.]]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Noterdaeme, Jerome]
Verzendingsdatum[09/03/1881 t.p.q. - 21/03/1881 t.a.q.]]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieJaartal gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie; t.p.q. gereconstrueerd op basis van de brieftekst: Gezelles brief is een reactie op de eerste brief van J. Notedraeme aan Gezelle van 09/03/1881 (nr.3586, schave z. houtschave); t.a.q. gereconstrueerd op basis van tweede brief van J. Noterdaeme aan Gezelle (nr.3586, brugge + 3586, bijkans); adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie; plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 enkel vel, 135 mm x 105 mm
papier, wit
papiersoort: 2 zijden beschreven, potlood, rood
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden op zijde 2: stukje van poststempel en stukje van opgekleefde postzegel
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan Jer. Noterdaeme ; idem rechts: [1881] (inkt, beide hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8752
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.17014
Inhoud
Incipithoutschave en kende ik niet;
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.