1° Als ik landwaards henenaseme en mijn aâm[1] alover ‘t land gaat[2]
2 Kempwijs[3] bonte en toegetakeld[4]
3 en de spraaklooz’ Hiawada droevig in zijn eindloos weedom[5]
4 welbereisd en sterk in ’t boffen vol van nieuwe en wondre zeisen[6] ongelooflijk vreemde en vele[7]
5 en het volk, de dorpsgeborenen[8]
6 loegen[9] schertsend spot en speelziek lijk de kraaien op den scheerling[10]
7 welkom wezen ons de vrienden hert en hand vol rechte vriendschap groet hem als ze te onswaard komen[11]
8 wijd of breed en is geen land ooit
----------- van ---------- ke vrij gaat[12]
waar gij voor mijn vraak gebergd blijft[13]
Ik heb mij bij Albr. voor 't Pennoen ingeschreven en zijn gedichten,[14] maar daar en komt niemendalle.
Ben overlast geweest, en nog, dus blijve tot later







