<Resultaat 618 van 2965

>

p1
Myn eerweerden Heer Adolf Duclos
No 2 in de Mariastrate
tot Brugge
 
p2

't legende nooit gehoord. Misschien zal 't een mis verstaan zyn van myne conferentie,[1] waarin ik Breidel, tegenstrydig met Conscience, voorenstelde als waarschynelyker bêevaardende naar O. L. V. van Groeninghe, etc. als scherende, met zyn byle het hair van zynen arm, etc. Ik heb gezeid dat hy een grafkapelle had in O. L. V. Kerk te Brugge; men zal misschien "te Brugge" niet gehoord hebben, en O. L. V. te Kortryk verstaan. Ik was te wege uwe dankbaar ontvangen bladeren over J. B. & P. C.,[2] met bemerkingen, terug te zenden, maar H. Baelen van S. Anne heeft ze meê om te lezen. Het spyt my dat de Heer Griffier[3] de nuttelooze moeite gedaan heeft van te schryven; al de beletsels van de twee voorgaande keeren bestaan nog dezen keer Zyt zoo goed hem te bedanken en allen goeden uitslag te wenschen. Ik heb een zegel noodig en men zal my een maken voor de patronage van S. Kathrine, de grootte van een stuk van 2 centimen; kan ik geen teekeninge krygen in den ouden styl met het wiel daarop en + S. Kath. B. V. O.?[4] Ik zou den stempel doen steken te gent, en 't ware om op papier te drukken in 't natte.

Blyve ulieden toegenegen in Christo

Guido Gezelle

Deken houdt staan dat Breidel en De Coninck edel waren voor den slag van Groeninge en dat een stuk bestaat van hun in die hoedanigheid onderteekend op den autaar O. L. V. Kortryk. Zie notice van Mussely op den schilderwerk hier in 't stadhuis[5]

Noten

[1] Het is niet duidelijk over welke lezing het precies gaat. Het is bekend dat Guido Gezelle af en toe een lezing gaf over Kortrijkse geschiedenis voor katholieke kringen in zijn stad.
[2] Jan Breidel en Pieter De Coninck.
[3] Vermoedelijk wordt hier verwezen naar Pieter Baes, griffier van de Gilde van Sint-Luitgaarde. Waarschijnlijk had die opnieuw aangedrongen op een lezing van Guido Gezelle voor de jaarvergadering van de Gilde van Sint-Luitgaarde.
[4] Met 'in den ouden stijl‘ wordt de neogotische stijl bedoeld. Adolf Duclos stond in nauw contact met de weduwe van Jacob Petyt. Waarschijnlijk wordt hier impliciet de vraag gesteld om de vorm van de stempel bij haar te laten ontwerpen.
[5] Op vraag van Adolf Duclos stuurde Guido Gezelle hem enkele dagen later een brief met het betreffende citaat: ”Que les héros Brugeois fussent d'origine noble, cela semble résulter d'une charte de 1273, scellée dans le Château de Courtrai sous l'autel de la Ste-Vierge et portant donation au profit de l'église de Cambrai. Parmi les témoins figurent « Jehans Breydel et Pierart Le Koninck et autres chevaliers et écuyers de mé Kourt » ainsi le déclarent les donateurs, Gui-de-Dampierre et son épouse.” (p.74) Het citaat was niet nieuw en circuleerde al eerder bij historici als J. Goethals-Vercruysse en A. Voisin. In 1879 zou Duclos de adellijke afkomst van Breidel en De Coninck bevestigen in Rond den Heerd, daarna zou hij meer terughoudend worden.

Register

Correspondenten - personen

NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamBaelen, Alwin (Aloïs)
Datums° Poperinge, 18/02/1839 - ✝ Kortrijk, 13/02/1923
GeslachtMannelijk
Beroeponderpastoor; leraar; directeur
BioAloïs (Alwin) Baelen was de zoon van Pieter Baelen, werkman, en Regina Hennebau. Hij werd tot priester gewijd op 17 december 1864 en leraar aan het St.-Stanislascollege te Poperinge. Op 27 mei 1867 werd hij onderpastoor van de St.-Martinusparochie te Oekene en twee jaar later van de St.-Pietersparochie te Tielt. Op 26 september 1874 volgde zijn benoeming tot directeur van de Zusters der Barmhartigheid Jesu van het St.-Annagasthuis in Kortrijk. Te zijner attentie schreef Gezelle nog in 1899, ter gelegenheid van Baelens 25-jarig jubileum als ‘belieder’ van St.-Anna, het gedicht 'Och Baelen, Baelen…'.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; gelegenheidsgedicht
NaamBaes, Pieter Petrus
Datums° Elverdinge, 29/04/1848 - ✝ Izegem, 21/07/1907
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar, schooldirecteur; schoolopziener; auteur
BioPieter Baes was de zoon van Boudewijn Baes, herbergier, en Joanna Ligneel. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en kreeg zijn priesterwijding op 21 december 1872, maar hij was al leraar vanaf september 1872 aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, voor de lessen in koophandel en wiskunde. In november 1873 riep Adolf Duclos Pieter Baes en andere bekenden bijeen om een ‘opstelraad’ voor Rond den Heerd samen te stellen. Baes maakte de stichting mee van de Gilde van Sint-Luitgaarde op 13 februari 1874 en hij bleef tot 1883 secretaris. Op 23 april 1879 kreeg hij een opdracht als docent aan de Staatsnormaalschool voor jongens in Brugge, maar hij werd hetzelfde jaar nog geschorst ingevolge de wet Van Humbeek. Vanaf 17 september 1879 werd hij principaal van het Izegemse Sint-Jozefsgesticht alsook van de vrije lagere school. In 1895 werd hij diocesaan inspecteur. Baes zette zich in voor goede schoolboeken en publicaties voor het onderwijs waaronder "De Taalsleutel of Vlaamsche Spraakregels, Tafelwijze geschikt" en het onderwijskundige tijdschrift "Sint-Canisiusblad".
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
NaamConscience, Hendrik
Datums° Antwerpen, 03/12/1812 - ✝ Elsene, 10/09/1883
GeslachtMannelijk
Beroepauteur
BioHendrik Conscience groeide op in een volkse buurt te Antwerpen. Hij brak als romanschrijver door met de historische roman De Leeuw van Vlaenderen (1838), en werd succesvol met zedenromans, op maat van het groeiende Nederlandstalige lezerspubliek. Die bezorgden hem in binnen- en buitenland grote erkenning. Vanaf 1840 was hij griffier bij de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen. In 1856 werd hij arrondissementscommissaris te Kortrijk en in 1869 conservator van het Wiertzmuseum in Brussel. Hij stierf in 1883 kort na de inhuldiging van zijn standbeeld te Antwerpen.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVan De Putte, Ferdinand
Datums° Rumbeke, 18/03/1807 - ✝ Kortrijk, 08/02/1882
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; deken; historicus; filoloog
BioFerdinand Van de Putte, zoon van Joannes-Jacobus Van de Putte, handelaar, en Maria-Elisabeth Delebecque, werd bij de opstart van het Duinencollege te Brugge in 1834 studiemeester, later leraar wetenschappen en directeur (vanaf 1838). Van de Putte was medestichter van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge en bestuurslid tot aan zijn dood. Hij schreef heel wat bijdragen voor de Handelingen. In 1843 werd hij pastoor van Boezinge en in 1858 pastoor-deken van Sint-Bertinus in Poperinge. In 1866 werd hij pastoor-deken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk en in 1872 van de Sint-Martinuskerk in Kortrijk. In 1872 bemiddelde hij om Gezelle over te plaatsen van Brugge naar Kortrijk.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent, lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
BronnenGeldhof, 150 jaar Sint-Lodewijkscollege te Brugge. 1986, p.48, 175, 317-320
NaamLem, Marie-Catherine; Petyt (weduwe)
Datums° Brugge, 01/10/1819 - ✝ Brugge, 13/10/1880
GeslachtVrouwelijk
Beroepdrukker
BioMaria Catharina Lem werd op 1 oktober 1819 te Brugge geboren als dochter van Felix Lem en Maria Boeteman. Op 25 november 1846 huwde ze Jacob Petyt, die graveur en lithograaf was. Toen ze in 1871 weduwe werd, was het bedrijf een gevestigde waarde en bouwde Maria Catharina Lem het verder uit met de steun van Adolf Duclos. Nadat hij Rond den Heerd overnam in 1871 werd het huis Petyt de vaste illustrator van het tijdschrift. Ze kregen opdrachten in functie van de inhoud en werden zelfs op pad gestuurd om West-Vlaamse kerken te tekenen. Hij bracht hen ook in contact met J.B. Bethune en Florimond van de Poele die ontwerpen leverden.
Relatie tot Gezellecorrespondent
Bronnen https://nl.geneanet.org/; https://www.archiefbankbrugge.be/archiefbank
NaamBreidel, Jan
Datums° Brugge, ca. 1264 - ✝ tussen 1328 en 1333
GeslachtMannelijk
Beroepslager; verzetsstrijder
BioVlaamse vleeshouwer uit de vroege 14de eeuw die een belangrijke rol speelde in het optreden van de gilden, voornamelijk te Brugge, tegen het patriarchaat en Frankrijk. In de Vlaamse beweging geïnterpreteerd als icoon van de nationale strijd.
Links[wikipedia]
NaamDe Coninck, Pieter
Datums° Brugge, 1250-1260? - ✝ Brugge?, 1332?
GeslachtMannelijk
Beroepwever
BioDe Brugse wever Pieter de Coninck leidde samen met Jan Breydel in 1302 de Vlaamse volksopstand die resulteerde in de Brugse Metten en de Guldensporenslag. Later onder meer door Hendrik Conscience geportretteerd als nationale helden, kreeg dit duo in 1887 een standbeeld op de Brugse Markt.
Links[wikipedia]

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamGent
GemeenteGent
NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - instituut/vereniging

NaamKortrijkse Katrientjes
BeschrijvingAls onderpastoor in Kortrijk kreeg Gezelle in 1874 de leiding over de patronaatswerking voor de fabrieksmeisjes van de spinnerij Linière de Courtrai. Vanwege hun patroonheilige de H. Katharina werden ze de Katrientjes genoemd. Zij kwamen elke zondag- en feestdag bijeen voor ontspanning en onderwijs. De Katrientjes vergaderden wel in de kloosterlokalen van de Zusters van Liefde aan de Bersacques-Poort, maar werden niet geleid door Zuster Vincentia of haar medezusters. De officiële leiding lag bij G. Gezelle die bijgestaan werd door juffrouwen en dames uit de Kortrijkse burgerij. Gezelle schreef heel wat gedichten voor deze werkmeisjes en hun begeleidsters.
Datering1875
NaamGilde van Sinte-Luitgaarde
BeschrijvingVereniging ter ondersteuning van de Vlaamse taal en het traditionele cultuurgoed. Professor Jan Hendrik Bormans had in 1857 in de inleiding van zijn werk ‘Het Leven van Sinte Lutgardis, een oproep gedaan dat alle Vlamingen deze heilige als de beschermvrouw van de Dietse taal- en letterkunde zouden vereren. In 1862 rijpte bij Gezelle het plan voor een ‘Gilde van Sint-Luitgaarde’ die een tijdschrift voor taal en oudheid zou uitgeven. De leerlingen en vereerders van de bezieler zouden Luitgarde in hun banier opnemen, maar hijzelf zou geen leider worden van de gilde, die echter maar een kortstondig bestaan heeft gekend. Later, rond 1870, wist Gezelle te Brugge een groep beoefenaars van taal- en letterkunde rond zich te verenigen om samen de redactie van Rond den Heerd te bespreken. In 1873 richtten Amaat Vyncke en Zeger Malfait de Gilde der West-Vlaamse Gebroeders op, met Sint-Lutgart als patrones. Hun 'stemme' was eerst de 'Almanak' en daarna de 'Vlaamsche Vlagge'. Vanaf 2 december 1871 had Duclos de redactie van 'Rond den Heerd' in handen en ook hij besefte de nood aan een meer uitgebreide opstelraad. Hij riep in november 1873 enkele bekenden uit het Brugse bijeen. Na drie maanden op 14 februari 1874 was het statuut of wet voor de ‘Gilde van Sinte Luitgaarde’ klaar. De St.-Luitgaardegilde hield vier algemeene vergaderingen : in 1874, 1876, 1877 en 1878. Pieter Baes is griffier geweest gedurende de bloeitijd van de Gilde van Sinte Luitgaarde. Na zijn verwijdering uit Brugge in 1879 kwijnde de gilde weg.
Datering1874
Links[odis]
NaamSint-Annagesticht, Kortrijk
BeschrijvingOp 12 augustus 1840 kocht kanunnik Petrus Johannes Maes aan Jan Jozef Clavers het Sint-Annapensionaat en -kapel gelegen op de Sint-Annawijk langs de Steenweg naar Rollegem met de bedoeling de bestaande kostschool, die actief was sinds 1839-1840 onder de leiding van de Zusters Apostolinnen, om te bouwen tot krankzinnigengesticht. Daarbij werd de verzorging, net als in het moederhuis Sint-Juliaan in Brugge, in de handen gelegd van de Zusters van de Barmhertigheid Jesu. Sint-Anna kende een opmerkelijke groei. Eind 1842 telde men 45 patiënten, een jaar later al 85. In 1880 was er plaats voor 620 patiënten waarmee ze na Sint-Juliaan de grootste psychiatrische instelling in West-Vlaanderen was. De instelling bleef bestaan tot 1927. Ten tijde van Guido Gezelle was Flora Mastraeten overste en priester Aloïs (Alwin) Baelen er directeur, dit van 1874 tot 1923.
Datering1840-1927

Titel - ander werk

TitelJan Breidel en Pieter de Coninc
AuteurDuclos, Adolf
Datum1877
PlaatsBrugge
UitgeverDe Zuttere
TitelLa salle échevinale de Courtrai restaurée par les soins de l'administration communale et ornée de peintures murales : étude historique
AuteurMussely, Charles en Mussely, Gustave
Datum1876
PlaatsGent
UitgeverAnnoot-Braeckman

Titel[27/07/1877], Kortrijk, Guido Gezelle aan Adolf Juliaan Duclos
EditeurKoen Calis; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2025
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKoen Calis; Universiteit Antwerpen, Gezelle Guido aan Duclos Adolf Juliaan, Kortrijk (Kortrijk), [27/07/1877]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2025 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
OntvangerDuclos, Adolf Juliaan
Verzendingsdatum[27/07/1877]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieDatum en plaats gereconstrueerd op basis van de poststempel.
Fysieke bijzonderheden
Drager 87 mm x 123 mm
papier, geel
papiersoort: recto met adres; verso horizontaal beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden op adreszijde: gedrukte postzegel, afgestempeld
Toevoegingen op verso rechts in de bovenrand: Aan Ad. Duclos. (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8664
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.16935
Inhoud
Incipit't legende nooit gehoord. Misschien zal 't een mis verstaan zyn van
Tekstsoortbriefkaart
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.