Het woord gratiepriester en ‘t woord libre priester schijnen mij eene en dezelfste hoedanigheid van priester te vertegenwoordigen.[1]
Van libre priester en vinde ik geen speur; van gratiepriester ook niet, maar van gratie wel. Het woord gracie, zegt Verdam, in zijn Middelnederlandsch Woordenboek, bl. 2089 beteekent:
1°) ………………………………………...........
2°) a) “……………………………………
b) Geheele of gedeeltelijke vrijstelling van bedankingen en ook vrijstelling of kwijtschelding van verplichtingen van anderen aard.”
Aldus wierd het woord gracie gebruikt voor en in de jaren 1500. Dat het nog dien zin bewaard heeft blijkt uit het Poperingsch woord gratie wa-p2gen. Iets dat met den gratie wagen komt is iets dat men krijgt voor niet en zonder dat de gever verplicht zij het te geven. Dus ware gratie-priester Priester die vrij is van verplichtingen die b.v. woonste gekregen heeft met op den gratie wagen.
Daar is al dat ik achterhalen kan wegens gratie priester en libre priester.







