<Resultaat 2960 van 2965

>

p1

gij u hebt moeten geven om, mijn arme en kranke dichtstukjes[1] te verbeteren, en voor het schoon, het alderschoon liedje dat gij meegezonden hebt

Gij peisdet waarschijnlijk van reeds gisteren antwoorde te krijgen, maar wij hebben ter oorzake van bouwing,[2] verlang[3] gekregen tot den 21sten[4] Ik heb dan opnieuw op zoek geweest, als ik mijn eerste brief[5] geschreven had en nog al eene goe vangste gedaan.

O, Mijnheer, ‘k en kan niet zeggen hoe ik te vreden ik was, als ik zag dat ik u eenen kleenen dienst had kunnen bewijzen.

Ik zal eerst, voor zoo goed als ik kan, den uitleg geven dien gij gevraagd hebt.

hij rijdt over zijn brugge[6] = hij ontslaat het daarmee, hij verliest door deze of die daad niets, maar toch hij wint niet veel, hij passeert juiste;

xxxxx zijn botten = klappen en swatelen; hij zal wel koelen zonder blazen;

hij stond en gapen lijk een gesplette[7] stok;

als het een keer begint, het gaat lijk of het voeten hadde;[8]

iemand op zijne teen terten;

men krijgt daarvan zooveel appels of peeren;

malkander betalen met geloken beurzen = kwijte reeken,[9]

k en zal mijn vinger in dat gatje niet steken = mij niet laten bedriegen;

hij doet lijk een populieren blad = hij keert hem;

‘t is lijk een omgekeerde zak = geheel veranderd;

tot Daar, zei Mote, en hij bolde[10] halfwege;

aan iemands neuze knoopen = vertellen;

dat kittelt in zijne neuze = hij hoort dat niet geern;

3 keers bijkan en is nog geen heel;[11]

ersmoor = een smoor die op den grond ligt;

iemand zijne bolle wasschen, zijne zaligheid zeggen

scheeren met drooge of zonder zeepe[12] hebben dezelfde

p2beteekenis

mijne rugge groeit. 2 uitdrukkingen die beteekenen dat men dit of dat zoo gemakkelijk niet krijgt;

jouw[13] tot aan de balke = stijf wel;

gepresseerd lijk de panne te vastenavond;[14]

als zij al ‘t vroede op hem zien! = als zij al op zijn kappe rijden = betichten;

als men iets vertelt, en iets er bij doet, ba! zegt men, ‘t is een dief die er van doet;

op den bus[15] slaan = op de hage slaan

hoort gij hem komen met zijne houten kloeftjes[16] aan, of op zijne bloote voeten? = iets bedektelijk vragen;

twee vliegen met een lap slaan;

hij staat in zijn zelfs lucht[17] lijk diegene die trouwen;

______ en kijken lijk een pilaarbijter;[18]

al hout en is geen timmerhout;

bij faute van brood, gij eet pasteijkasten;[19]

twee natte zakken en kunnen elkaar niet dragen;

hij er soms uiteendoet; 't is waarlijk een plezier van hem te hooren.

Ik eindig dezen, mijnen tweeden brief, met u nogmaals te bedanken.

Indien gij geern iets zoudt vragen, ik ben steeds bereid uwen wensch te voldoen.

Aanveerd, Mijnheer, de uitdrukking mijner diepe erkentenisse,
Uw steeds bereide dienaar
Hieron. Noterdaeme
Deo Gratias

Naschrift: 'k heb er nog 2 gehoord: eerst in 't bakje, last in 't zakje.

't is lijk den duivels naaigaren = vernesteld.

Noten

[1] Dit slaat op de drie gedichtjes die Jerome Noterdaeme aan Gezelle toestuurde, op datum van 31 maart 1880. De titels zijn: Dank u Heere; Aldaar niet varen; Een brief. Vermoedelijk werden ze verstuurd met de eerste brief naar Gezelle op 09/03/1881.
[2] Bij L.L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, Brugge: Gailliard, 1873: ’bold’ of ’bolt’, ook :’bouwd, bouwt’. Dit is ’beèr’ of aal. Een ’bouwboer’ was een ’landbouwer die gewoon is veel bold uit de stad te halen’. Dit was een lastig werk dat slechts een korte tijd mocht duren, er werd dan ook ’s nachts gewerkt. Dit gebeurde vooral in de maanden maart en begin april.
[3] Verlenging, uitstel, verschuiving. Waarschijnlijk voor alle scholen uit de buurt. In Poperinge en omgeving was er ook een verschuiving in de periode van de grote vakantie voor de hoppepluk of –oogst.
[5] J. Noterdaeme stuurde zijn eerste brief naar Gezelle op 09/03/1881, dit na een huisbezoek bij Gezelle waarbij die hem vroeg om woorden te verzamelen uit zijn streek.
[6] Gezelle vroeg in zijn vorige brief uitleg over dit gezegde dat Noterdaeme hem toegezonden had: ”hij rijdt over zijn brugge, wat is dat ???” Gezelle maakte van deze brief een fiche met lemma ’Brugge‘ om onder te brengen in zijn Woordentas.
[7] Gespleten.
[8] Als het eenmaal van start gaat, dan gaat het snel, net of het voeten kreeg.
[9] Kwijtschelden.
[10] Bollen = aftrappen, weggaan.
[11] Onderstreping van Guido Gezelle in blauw potlood als aanduiding om deze spreuk in de Woordentas op te nemen. Gezelle maakte van deze brief een fiche met als lemma ’Bijkan’.
[12] Iemand streng of hard aanpakken.
BruggeBijkan
[13] Jouw = ja, wij gaan akkoord
[14] Bij L.L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, Brugge: Gailliard, 1873, p.1273: Verladen zijn lijk de panne van Vastenavond: uit der mate verlaân en bezig zijn, gelijk de pan waarin men op Vastenavond koeken bakt. Hier: gehaast zijn.
[15] Bus, busseboom: buxus.
[16] Klompjes.
[17] Hij staat zichzelf in de weg zoals de partners van een huwelijk in elkaars licht (=lucht) kunnen staan.
[18] Pilaarbijter = iemand die schijnheilig doet.
[19] Kasten = korsten.

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamNoterdaeme, Jerome; Noterdaeme, Hieronymus; Noterdaeme, Jeroom
Datums° Lo, 03/07/1862 - ✝ Sint-Andries, Brugge, 01/01/1933
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; ambtenaar; directeur; dichter
BioJerome Noterdaeme werd geboren te Lo op 3 juli 1862 als zoon van Philippus Jacobus Noterdame (landbouwer) en Amelia Virginia Dewitte (dienstbode). Hij liep eerst school aan het bisschoppelijk college te Veurne. Als student bezocht hij in 1881 Guido Gezelle bij hem thuis in Kortrijk, die hem vroeg om woorden uit zijn streek te verzamelen. Vanaf dan begonnen ze te corresponderen, waarbij Noterdaeme Gezelle naast taalmateriaal ook zijn eigen gedichten bezorgde. Op 16 augustus 1882 zwaaide hij af als rhetoricaleerling. Nog dat zelfde jaar startte hij met zijn studies rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Op 21 december 1886 was hij nog student rechten te Leuven waar hij deelnam aan de pensionering van professor Van Biervliet. Op 1 september 1887 werd Jerome Noterdaeme benoemd tot avoué bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Tijdens die periode ontving hij de Guido Gezelle in zijn huis. Op 12 april 1888 legde hij dit ambt neer. Hij verhuisde naar Brugge en werd op 13 februari 1888 benoemd is tot bureauchef bij het provinciebestuur in Brugge. Later werd hij directeur bij het provinciebestuur. Op 10 april 1888 trad hij te Brugge in het huwelijk met Marie Louise Augusta Catharina Roger (1865-1899). Het echtpaar kreeg zes kinderen. Het gezin verbleef in Collard Mansionstraat, 10 te Brugge. Na 1900 luidt het adres Langerei 30. Als auteur publiceerde hij juridische werken, proza en gedichten waaronder heel wat gelegenheidsgedichten die vaak op muziek werden gezet. Hij publiceerde ook artikels in het tijdschrift "Biekorf". Hij was bijzonder actief in het Davidsfonds zowel lokaal als bovenlokaal. In 1924 was hij medestichter van de vereniging die de oprichting van het Gezellemuseum organiseerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent
Bronnen http://www.historischekranten.be

Briefschrijver

NaamNoterdaeme, Jerome; Noterdaeme, Hieronymus; Noterdaeme, Jeroom
Datums° Lo, 03/07/1862 - ✝ Sint-Andries, Brugge, 01/01/1933
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; ambtenaar; directeur; dichter
BioJerome Noterdaeme werd geboren te Lo op 3 juli 1862 als zoon van Philippus Jacobus Noterdame (landbouwer) en Amelia Virginia Dewitte (dienstbode). Hij liep eerst school aan het bisschoppelijk college te Veurne. Als student bezocht hij in 1881 Guido Gezelle bij hem thuis in Kortrijk, die hem vroeg om woorden uit zijn streek te verzamelen. Vanaf dan begonnen ze te corresponderen, waarbij Noterdaeme Gezelle naast taalmateriaal ook zijn eigen gedichten bezorgde. Op 16 augustus 1882 zwaaide hij af als rhetoricaleerling. Nog dat zelfde jaar startte hij met zijn studies rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Op 21 december 1886 was hij nog student rechten te Leuven waar hij deelnam aan de pensionering van professor Van Biervliet. Op 1 september 1887 werd Jerome Noterdaeme benoemd tot avoué bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Tijdens die periode ontving hij de Guido Gezelle in zijn huis. Op 12 april 1888 legde hij dit ambt neer. Hij verhuisde naar Brugge en werd op 13 februari 1888 benoemd is tot bureauchef bij het provinciebestuur in Brugge. Later werd hij directeur bij het provinciebestuur. Op 10 april 1888 trad hij te Brugge in het huwelijk met Marie Louise Augusta Catharina Roger (1865-1899). Het echtpaar kreeg zes kinderen. Het gezin verbleef in Collard Mansionstraat, 10 te Brugge. Na 1900 luidt het adres Langerei 30. Als auteur publiceerde hij juridische werken, proza en gedichten waaronder heel wat gelegenheidsgedichten die vaak op muziek werden gezet. Hij publiceerde ook artikels in het tijdschrift "Biekorf". Hij was bijzonder actief in het Davidsfonds zowel lokaal als bovenlokaal. In 1924 was hij medestichter van de vereniging die de oprichting van het Gezellemuseum organiseerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent
Bronnen http://www.historischekranten.be

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLo
GemeenteLo-Reninge

Naam - persoon

NaamNoterdaeme, Jerome; Noterdaeme, Hieronymus; Noterdaeme, Jeroom
Datums° Lo, 03/07/1862 - ✝ Sint-Andries, Brugge, 01/01/1933
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; ambtenaar; directeur; dichter
BioJerome Noterdaeme werd geboren te Lo op 3 juli 1862 als zoon van Philippus Jacobus Noterdame (landbouwer) en Amelia Virginia Dewitte (dienstbode). Hij liep eerst school aan het bisschoppelijk college te Veurne. Als student bezocht hij in 1881 Guido Gezelle bij hem thuis in Kortrijk, die hem vroeg om woorden uit zijn streek te verzamelen. Vanaf dan begonnen ze te corresponderen, waarbij Noterdaeme Gezelle naast taalmateriaal ook zijn eigen gedichten bezorgde. Op 16 augustus 1882 zwaaide hij af als rhetoricaleerling. Nog dat zelfde jaar startte hij met zijn studies rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Op 21 december 1886 was hij nog student rechten te Leuven waar hij deelnam aan de pensionering van professor Van Biervliet. Op 1 september 1887 werd Jerome Noterdaeme benoemd tot avoué bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Tijdens die periode ontving hij de Guido Gezelle in zijn huis. Op 12 april 1888 legde hij dit ambt neer. Hij verhuisde naar Brugge en werd op 13 februari 1888 benoemd is tot bureauchef bij het provinciebestuur in Brugge. Later werd hij directeur bij het provinciebestuur. Op 10 april 1888 trad hij te Brugge in het huwelijk met Marie Louise Augusta Catharina Roger (1865-1899). Het echtpaar kreeg zes kinderen. Het gezin verbleef in Collard Mansionstraat, 10 te Brugge. Na 1900 luidt het adres Langerei 30. Als auteur publiceerde hij juridische werken, proza en gedichten waaronder heel wat gelegenheidsgedichten die vaak op muziek werden gezet. Hij publiceerde ook artikels in het tijdschrift "Biekorf". Hij was bijzonder actief in het Davidsfonds zowel lokaal als bovenlokaal. In 1924 was hij medestichter van de vereniging die de oprichting van het Gezellemuseum organiseerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent
Bronnen http://www.historischekranten.be

Indextermen

Briefontvanger

Gezelle, Guido

Briefschrijver

Noterdaeme, Jerome

Correspondenten - personen

Gezelle, Guido
Noterdaeme, Jerome

Naam - persoon

Noterdaeme, Jerome

Plaats van verzending

Lo

Titel[21/03/1881 t.p.q. - 20/04/1881 t.a.q.], Lo, [Jerome Noterdaeme] aan [Guido Gezelle]
EditeurKarel Platteau; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKarel Platteau; Universiteit Antwerpen, Noterdaeme Jerome aan Gezelle Guido, Lo (Lo-Reninge), [21/03/1881 t.p.q. - 20/04/1881 t.a.q.]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
Verzender[Noterdaeme, Jerome]
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[21/03/1881 t.p.q. - 20/04/1881 t.a.q.]
VerzendingsplaatsLo (Lo-Reninge)
AnnotatieT.p.q. gereconstrueerd op basis van de brieftekst: verwijzing naar 21/[03] in de brief en op basis van de brief G.G. aan J. Noterdaeme (nr.8725): deze brief is een reactie hierop; t.a.q. gereconstrueerd op basis van de derde brief van J. Noterdaeme aan G.G. van 20/04/1881: deze brief is de tweede brief aan G.G. en komt ervoor; adressant gereconstrueerd op basis van het handschrift ; adressaat en plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Fysieke bijzonderheden
Drager 2 enkele vellen, enkel vel 1: 102 mm x 130 mm; enkel vel 2: 105 mm x 132 mm
papier, wit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig: vel verknipt tot twee taalkundige fiches en gereconstrueerd met tekstverlies; stukje bovenkant en stukje onderkant van vel ontbreken
Toevoegingen op zijde 1 rechts en op zijde 3 links: taalkundige notitie (inkt, verticaal, beide hand G.G.) ; alle zijden met purperen inkt en blauw potlood doorgehaald en onderstreept
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief3586, Brugge + 3586, Bijkans
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.15989
Inhoud
Incipitmijn arme en kranke dichtstukjes te verbeteren,
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.