Donderdag kom ik prediken, en 'k en kenne al niet vele van de topographie van het oud Kortrijk.
Daarom vraag ik u mij te laten weten, - Zoo mogelijk - bij keerende post - waar het Kortrijk van Phil. van den Elzas afsloot; alsook waar het kasteel[1] stond, en de kapelle die eerst van al de HH. Haren van O. H. J. C. bewaard heeft.
De Heeren van den Raad van Ste Luitgaarde doen mij schrijven, dat gij dees jaar volstrekt moet komen spreken op de vergadering van Oegst.[2] Ze zeggen dat gij wel naar Dixmude[3] en elders kunt gaan spreken: zoodat gij hier moet komen, of dat gij openbaar verklaart u af te scheiden van ons en onze inrichting af te keuren. Zeg mij, a.u.b., zeer vertrouwelijk of gij het zult aanveerden - 't gene ik ook ten volle begere, en aanveerd hebbende zult komen.







