<Resultaat 975 van 2965

>

p1+
Eerweerde Heer,[1]

Hier in de boekerij[2] ligt er een boek, uit verschilligen bijeengebonden. De titels luiden: De wech der Saligheydt, gedruct te Utrecht in 1486 en: der Sielen Troest gedruct te Herlem in 1484. 't Zijn dus van de oudste drukwerken die er hier al uitkwamen. Professor Bormans zaliger, volgens zeggen van Mr professor Daris, archivaris alhier in 't Seminarie, moet er veel in gesnuffeld hebben en zelfs er meê ingezeten om den boek van heruit te geven. 't Eerste deel: wech der saligheydt is een soort van volkstheologie, 't weede eene uitlegging der tien geboden met machtig veel meer voorbeelden, legenden enz. in, als uitleg over gods geboden. Die legenden heeft de schrijver gehaald, zegt hij, uit martelaarsboeken, heilige vaders en chroniken[3] Daar staat onder andere wonder schoon in verteld, de legende van Sint Alexius, van sint Joris met den draak, van Judas "den verradere ons Heeren" en van Christophorus. Als gij 't eens woudt nazien, schrijf dan naar Mr Daris professor in 't Seminarie. Ik heb hem nog niet heel uitgelezen: tot hiertoe heb ik de volgende onverstaanbare of ouderwetsche woorden gevonden:

Geloven aen witwiven noch aen elvinnen; duvels droch;[4] holden (alvermennekes zeggen ze daar t'huis tegen); hoere werdin wert ghictich[5] (eene ziekte?); ende wert een eensater[6] dien was veel goet aengestorven; zij voeren hem ter hellen mit pipen ende mit bongen;[7] de koninck... hi sant den bollaert[8] sijns broeders; te hant[9] quamen daer also veel duvelen als grasende griets; ende lieten hangen in een oestel[10] ende uutreeken; ende 't schaedde hem niets niet; koekelaar, kokelaar = tooveraar; ende waer alle dinc weldich[11] lufter hant = linkerhant?[12]

Als gij wilt zal ik al de woorden die ik niet en versta in den boek, opschrijven en opsturen als ook 't een of 't ander stuk ervan om u te laten oordeelen over stijl en taal. Arthuur zegt u nog eens den goedendag, biedt u zijne groetenisse en doet u zijne beste boodschap alsook

Aug. Cuppens

Noten

[1] Op de keerzijde van deze brief staat een handgeschreven brief van L. Lenaerts aan G. Gezelle van 08/11/1883. Beide gepubliceerd in A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 53-55.
[2] A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 54 schrijft Cuppens als introductie: ”Wij hadden, al snuffelend in de kleine boekerij van 't Groot-Seminarie, die 's Zondags ter beschikking der theologanten stond en waar wij de eenige oude vl. boeken die er waren, één voor één van uitgepluisd hebben - een zeer zeldzaam en merkweerdig oud werk gevonden. Daarover handelt volgend briefke."
[3] Der Sielen Troest is geschreven in de vorm van een dialoog tussen een geestelijke vader en zijn geestelijk kind. De bronnen waren onder meer de H. Schrift, de Legenda aurea van Jacobus de Voragine, de Historia Scholastica van Petrus Comestor, het Speculum historiale van Vincentius van Beauvais, de Collationes patrum van Johannes Cassianus en de Vitae patrum. In: J. Deschamps, Middeleeuwse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken, E.J. Brill,1972, p. 193-197.
[4] MNW 1250-1550: ”1. Bedrog, leugen. Nog in de 17de eeuw log en drog (Oudem. 2, 157). Nog over in drogrede, droggrond, droglicht. 2. Bedrieger, leugenaar. Zoo ook mnd. 3. Spookverschijning, spookgestalte, visioen. Kil. Phantasma."
[5] In zijn antwoordbrief aan A. Cuppens en L. Lenaerts schrijft Gezelle: ”gichtig = jichtig (podagra) ofwel giftig (ch = f) aangestorven gekregen door erf- en sterfgeval."
[6] In zijn antwoordbrief aan A. Cuppens en L. Lenaerts schrijft Gezelle: ”Een eensater is zulk een die eene eenzate (hermitage) bewoont."
[7] In zijn antwoordbrief aan A. Cuppens en L. Lenaerts schrijft Gezelle: ”pijpen en bongen (ng = mm) bommen, trommels.”
[8] MNW 1250-1550: ”Bolaard("bollaert"): 1. windbuil, pochhans (Kil. 78: homo futilis, fabulator). 2. Gerechtsbode, beul.”
[9] In zijn antwoordbrief aan A. Cuppens en L. Lenaerts schrijft Gezelle: ” te hant = straks."
[10] A. Oudemans, Bijdrage tot een Middel- en Oudnederlandsch woordenboek, deel V (O.-R.). Arnhem: H.W. Van Marle, 1874, p. 5: ”Oestal, oestel, oestael, oystal: Een verheven tuig, waarin men misdadigers, die men pijnigen en uitrekken wilde, deed hangen. Der Sielen Troest 1484. fol. 23: “Doe wert die Rechter toernich, ende greep Sinte Vincencius an, ende lieten hangen in een Oestel, ende lieten uitrecken, dat dat een lit vanden anderen ginc.”
[11] In zijn antwoordbrief aan A. Cuppens en L. Lenaerts schrijft Gezelle: ”weldig zijn = in zijn geweld (macht) hebben."
[12] In zijn antwoordbrief aan A. Cuppens en L. Lenaerts schrijft Gezelle: ” lufter = luchter, lochter hand (laevâ)”.

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLuik

Naam - persoon

NaamBormans, Jan Hendrik; Broeder Geraert
Datums° Sint-Truiden, 17/11/1801 - ✝ Luik, 04/06/1878
GeslachtMannelijk
Beroephoogleraar; filoloog
BioJan-Hendrik Bormans studeerde klassieke talen aan de Universiteit van Luik en begon zijn loopbaan als docent poësis en retorica aan het Seminarie van Luik (1818-1820). Daarna was hij studiemeester aan het koninklijk college in Luik (1820-1825), docent en rector in Sint-Truiden (1825-1834) en rector in Hasselt (1834-1835). Van 1835 tot 1837 doceerde hij Nederlandse en Griekse letteren aan de Rijksuniversiteit Gent, waar hij via Jan Frans Willems en andere flaminganten interesse kreeg in de Middelnederlandse literatuur. In 1837 keerde hij terug naar de Universiteit van Luik, waar hij klassieke talen en vanaf 1851 ook Nederlands doceerde. Hij ging in 1865 met emeritaat. Als pionier in de studie van de Middelnederlandse literatuur gaf Bormans werken uit zoals Leven van Sinte Christina, Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlant en de Brabantse Yeesten. Hij was lid van de Leidse Maatschappij van Nederlandse Letterkunde en speelde een belangrijke rol als lid en rapporteur van de eerste Spellingscommissie. In 1857 publiceerde hij in "Dietsche Warande" een Middelnederlandse vertaling van het Leven van Sint-Lutgart en stelde voor haar uit te roepen tot patroonheilige van de Nederlandse taal- en letterkunde, een idee dat bij Guido Gezelle bijval vond. Vanaf 1858 correspondeerde Guido Gezelle met Bormans over een handschrift van Jan Praet, dat Gezelle via Kanunnik Van Verdeghem van de Brugse zwartzusters in bruikleen had gekregen. Bormans werkte jarenlang aan de editie van dit handschrift en publiceerde het in 1872. Hij droeg ook bij aan Gezelles taalstudie. Zijn waardering voor het werk van Gezelle was een argument in de polemiek rond het taalparticularisme.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
BronnenHessmann, Pierre. De briefwisseling Bormans-Gezelle. In: Gezelliana: 1 (1970) 1-2, 28-48; https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/bormans-jan-hendrik
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: "Het teeken des vreden". Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik (in Verviers, maar ook in Laar in Vlaams-Brabant, Halen in Limburg, onderpastoor in Luik, Sint-Gillis, pastoor (07/1888) en te As in Limburg (08/1897).
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NaamAlexius van Edessa
Datums° Rome of Edessa, - ✝ Rome of Edessa, 17/07/404
GeslachtMannelijk
Beroepheilige
VerblijfplaatsItalië; Turkije
BioAlexius van Edessa was de enige zoon van een Romeinse senator, in de vierde eeuw verbonden aan het keizerlijke hof. Zijn naam is afgeleid van het Griekse werkwoord ‘alexein’ dat ‘beschermen, helpen’ betekent. Hij genoot een gecultiveerde opvoeding en trouwde met een deugdzaam meisje uit de hogere kringen. Nog tijdens de huwelijksnacht bekende hij zijn leven te willen doorbrengen in kuisheid en armoede, en hij verdween tot groot verdriet van zijn ouders en bruid uit hun leven. Zeventien jaar lang was hij bedelaar aan de ingang van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Edessa, in het toenmalige Mesopotamië. Het weinige dat hij had, werd gedeeld met de armen. Toen men Alexius begon te loven en prijzen, vluchtte hij per boot naar Tarsus. Een storm sloeg hem uit koers en hij kwam terecht in Rome. Daar leefde de man andermaal zeventien jaar als bedelaar zonder herkend te worden onder aan de trappen van zijn ouderlijk huis. Bij zijn dood hield hij een brief in de handen met zijn levensverhaal, en in de kerk klonk een stem: "Kom tot mij, allen die pijn hebt, en ik zal u troosten". Bij nader inzien doelde de stem op Alexius. Zijn lijk werd door de stad gedragen en elkeen zocht genezing en heil door het aan te raken. Later werden zijn relikwieën vereerd. Een andere legende wil dat Alexius in Edessa geboren en gestorven is als bedelaar-eremiet. Hij werd de patroonheilige van pelgrims, bedelaars, zieken en pestlijders.
Links[wikipedia]
NaamDaris, Arnold Josephus Matheus; Daris, Joseph
Datums° Borgloon, 18/09/1821 - ✝ Borgloon, 11/09/1905
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; professor; bibliothecaris; archivaris; historicus; auteur
BioArnold Josephus Matheus Daris werd op 18 september 1821 geboren te Borgloon, als zoon van Martin Daris (1777-1835), gemeentesecretaris en vrederechter, en Maria Christina Kalcker (1785-1849). Jozef volgde klassieke humaniora in Tongeren en Rolduc, en studeerde filosofie en theologie aan het Grootseminarie van Luik. Daris werd er op 21 december 1844 tot priester gewijd. Hij doceerde van 1851-1854 Grieks en apologetiek aan het pas opgerichte Kleinseminarie te Sint-Truiden, en van 1854 tot 1897 canoniek recht en kerkgeschiedenis aan het Grootseminarie te Luik. Daarna bleef hij er als bibliothecaris en archivaris wonen. Als studax en autodidact bekwaamde hij zich in de historiografie en bronnenstudie. Zij grote passie vertaalde zich in ontelbare historische werken over zijn geboortestad Borgloon, het prinsbisdom Luik, en de kerken van het diocees. Daarnaast zagen de “Praelectiones canonicae quas in seminario leodiensi habuit Josephus Daris” het licht in Luik tussen 1861 en 1865. Dat zijn drie gepubliceerde delen van colleges over canoniek recht. Daris werd titulair kanunnik in 1880. Op 83-jarige leeftijd nam Josephus Daris zijn intrek bij zijn nicht in Borgloon en overleed er kort nadien op 11 september 1905.
Links[odis]
Bronnen https://gw.geneanet.org; https://www.daris.be/daris.htm
NaamIskariot, Judas
Datums° 1ste eeuw v. Chr. - ✝ Jeruzalem, 30 of 33 n. Chr. ?
GeslachtMannelijk
Beroepapostel
VerblijfplaatsJudea
BioJudas Iskariot was bij de vier evangelisten één van de twaalf apostelen. Net als de andere leerlingen werd hij door Jezus onderwezen en was hij getuige van de wonderverhalen. Enkel bij Johannes staat dat ‘hij een dief was en zich als beheerder van de kas, de inkomsten toe-eigende’ (12.6). Hij leverde Jezus uit aan de hogepriesters en de Joodse leiders voor dertig zilverlingen. Van spijt en berouw gaf hij de priesters hun geld terug, zij aanvaardden het niet en hij pleegde zelfmoord. In de vroege kerk werd deze figuur meer en meer gedemoniseerd. In de ‘Legenda Aurea’ van Jacobus de Voragine uit de 13de eeuw werden motieven uit de Griekse mythologie en Hebreeuwse Bijbel verbonden met zijn leven: zijn moeder voorvoelde onheil vanaf de conceptie, zoals Priamus bij de geboorte van Paris. Ze legde hem zoals Mozes te vondeling in een mandje op het water, en net zoals Oedipus ontliep hij zijn noodlot niet, hij doodde zijn vader en huwde zijn moeder. Judas zou zijn leven beteren door Jezus te volgen. Het omgekeerde gebeurde. De verrader hing zich op en zijn gulzige buik barstte open.
Links[wikipedia]
Bronnen https://kro-ncrv.nl/programmas/the-passion/wie-is-judas
NaamJoris van Cappadocië; Georgus; Sint-Joris
Datums° eind 3de eeuw - ✝ 303?
GeslachtMannelijk
Beroepmartelaar; heilige
BioJoris van Cappadocië kwam niet voor in historische bronnen, maar leefde in vele verhalen door de eeuwen heen. De volgende legende werd in 1260 op schrift gesteld door Jacobus de Voragine in zijn “Legenda Aurea”. Het verhaal wil dat Joris geboren werd in Cappadocië, eind 3de eeuw. Hij was de zoon van een Romeinse officier, en nam eveneens dienst in het leger. In de “Legenda Aurea” lazen we de christelijke versie van de Griekse mythe rond de held Perseus, die het monster Medusa onthoofdde. Moedig en krijgshaftig versloeg onze christelijke Joris vanop zijn paard het kwaad in de vorm van een draak, die ook symbool stond voor het heidendom. Toen de absolute monarch en keizer, Diocletianus, in 303 tot christenvervolging beval, weigerde Joris onvervaard het bevel op te volgen. Ongehoorzaam aan de Romeinse keizer maar trouw aan Christus, stierf hij uiteindelijk de marteldood. De verhalen over martelaar Joris waren aanvankelijk bekend in de Byzantijnse wereld en werden dankzij de kruistochten ook over het Westen verspreid. De ridderlijke figuur van Sint-Joris werd de beschermheer van de kruisvaarders en ridderordes, de patroonheilige van Engeland in 1222 dankzij Richard Leeuwenhart, later van het autonome Catalonië en van de scouts. Op zijn naamdag 23 april werd in de Orthodoxe Kerken de Hagios Georgios vereerd als de Grote Martelaar en Overwinnaar. In Engeland heette deze dag Saint George's Day, een nationale feestdag, en bij de scouts vierde men Sint-Jorisdag. Hij werd als noodhelper aangeroepen tegen veeziektes.
Links[wikipedia]
Bronnen https://kro-ncrv.nl/katholiek/encyclopedie/j/joris
NaamChristoffel van Lycië; Christophorus; Sint Christoffel; Reprobus
Datums° Kanaän?, - ✝ Lycie, 251?
GeslachtMannelijk
Beroepheilige; martelaar
VerblijfplaatsTurkije
BioDe naam Christophorus komt van het Grieks: Christus en ‘pherein’ : ‘hij die Christus draagt’. De verering van Christophorus ontstond in de oosterse kerk. De mythische vormgeving van zijn leven vond de weg naar het Westen toen keizer Justinianus (527-565) tijdelijk het Romeinse rijk verenigde. Historische bronnen zijn er niet. Dit is waarschijnlijk een reden waarom de kerk in 1976 Christophorus van de heiligenlijst schrapte. Een oudere versie van zijn levensverhaal, terug te vinden in de Bibliotheca Hagiographica Latina (19de eeuw), vertelde dat Christophorus, afkomstig uit Lycië (Anatolië), vóór zijn doopsel Reprobus heette. Hij had het uiterlijk van een reus met een hondenkop, maar in zijn hart was hij een christen. God gaf hem een menselijke stem. Keizer Decius (249-251) beval hem voor de Romeinse goden te offeren en zich zo van hun bescherming te verzekeren. Christophorus weigerde, en hij bekeerde integendeel gevangenen en soldaten tot de christelijke God. Decius liet hem gruwelijk martelen, maar zijn lichaam bleef ongeschonden, zodat zijn vereerders later de relikwieën konden verspreiden. Na zijn onthoofding werd hij begraven nabij een beek. Met de nodige varianten kwam dit verhaal in het Westen terecht. Zijn afwijkende lichaamslengte en zijn hondenkop blijven een constante. De Legenda Aurea (13de eeuw) focuste op de voorgeschiedenis van dit verhaal. Deze versie werd uiteindelijk veel populairder. Christoffel was een Kanaäniet, een reus met een afschrikwekkend uiterlijk. Hij wilde de machtigste heerser dienen. Eerst bezocht hij een koning, maar omdat die ontzag had voor Satan, ging Christophorus in dienst bij de Duivel. En toen Satan een omweg maakte rond een kruis langs de weg en zijn vrees voor de gekruisigde erkende, wijdde hij zich aan Christus. Aangezien ascese en gebed niet aan hem besteed waren, hielp hij voortaan mensen een kolkende rivier oversteken. Op een dag riep een kind zijn hulp in. Eenmaal met de overtocht begonnen, steeg het water en werd het kind loodzwaar. Na een bovenmenselijke inspanning bereikte hij de overkant. Christophorus bleek niet alleen de hele wereld gedragen te hebben, maar ook zijn Schepper. Christophorus werd de patroonheilige van pelgrims en reizigers, en een van de Veertien Noodhelpers die men kon aanroepen bij een noodtoestand zoals pest, onverwachte dood, onweer of watersnood.
Links[wikipedia]
Bronnen https://www.heiligen.net/heiligen/07/25/07-25-0250-christoforus.php

Naam - instituut/vereniging

NaamGrootseminarie Luik
BeschrijvingHet Grootseminarie van Luik werd opgericht als priesteropleiding voor het bisdom Luik in 1592. Sinds 1804 is het gevestigd in de door de Franse Revolutie opgeheven St.-Norbertusabdij van Luik, samen met het Prins-Bisschoppelijk Paleis. Vanaf 1840, na het ontstaan van België, diende het voor de opleiding van priesterstudenten (filosofie en theologie) van de bisdommen Luik en Limburg, tot in 1967 het bisdom Hasselt werd opgericht. Op dit moment is het een onderdeel van het interdiocesaan seminarie Notre Dame te Namen.
Datering1592-heden

Titel - ander werk

TitelDer Sielen Troost
Datum1484
PlaatsHaarlem
UitgeverStads drukker Enschedé
TitelWech der syelen salicheyt ... ghedruckt in die stat van utrycht Int iaer ons heren .M.CCCC en .lxxx.
Auteuronbekend
Datum1480
PlaatsUtrecht
Uitgever[Leempt, Gherardus de]

Titel[08/11/1883], Luik, August Cuppens aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, Luik, [08/11/1883]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[08/11/1883]
VerzendingsplaatsLuik
AnnotatieDatum, adressaat en plaats gereconstrueerd op basis van de brief van Leonard Willem Jakob Lenaerts aan Guido Gezelle van 08/11/1883 op keerzijde.
Fysieke bijzonderheden
Drager 211 mm x 134 mm
papiersoort: 1 zijde beschreven
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden brief van Leonard Willem Jakob Lenaerts aan Guido Gezelle op zijde 1 van 08/11/1883
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5367
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.11677
Inhoud
IncipitHier in de boekerij ligt er een boek, uit
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.