<Resultaat 926 van 2965

>

p1Laudetur Jesus Christus[1]
WelEerweerde Heer en Meester,[2]

Wij hebben alhier, in 't Seminarie van Luik, al zoo dikwijls in Loquela naar Limburgsche woorden gezocht en er toch altijd zoo danig min in gevonden. Nochtans dunkt ons, sukkelaars van Limburgsche studenten - vlamingen ofte flaminganten, dat er in ons Kempenland en elders in Limburg ook nog eene macht[3] van woorden en goede vlaamsche uitdrukkingen moeten bestaan die ongeboekt, ons wetens, en tot nog toe misschien ἐπεα πτερῶεντα[4] gebleven zijn. Artuur Lewylle, hier, heeft ons aangepreêkt dat het U misschien niet onaangenaam noch onnuttig zou zijn, zoo wij ook al eens een woordjen of ettelijk[5] voor moeder Loquela opstuurden. God weet of er hier in Limburg geen’ woorden bestaan die nuttig konden zijn om dit of dat, 'k en weet niet wat, te verklaren! p2Daarbij zouden wij al een handje willen meêhelpen van ook den Limburgschen taalschat zooveel mogelijk bij den grooten Westvlaamschen te voegen dien gij, E.H. Debo en anderen, daar ginder verre met zooveel iever verzamelt, iets waarvoor gij alhier zoo bewonderd, bemind en als “kwaad geld”[6] bekend wordt bij de jonge blauw- of geelvoeten der Limburgsche heide.[7]

Hier hebben wij nu een honderdtal Limburgsche woorden en uitdrukkingen, zoo wat overal bijeen vergaârd, die ik met een makker onder honderden heb uitgekozen. Misschien is er niets onder dat van weerde is, misschien kent gij die woorden veel beter dan wij? Wat er van zij, ons inzicht is goed, en daarom dierf ik het wagen naar een groot man te schrijven die Artuur Lewylle hier “vader Gezelle” heet.

Nu iets anders. Ik zou toch zoo graag de vier bundels uwer gedichten hebben, die kleine grijzen,[8] Kerkhofblommen tot . . . et Reliqua, maar zou het U niet slecht aanstaan zoo ik U zegde, dat ik tot onder 't groot verlof moet wachten van ze te betalen?[9] Ik heb eenen te verwachten de Koninck[10] op de maag te krijgen en er al eenen de Gheldere[11] op liggenp3Zoo het U aangenaam is ben ik bereid onder het groot verlof U een duizend woorden van de kanten van Beeringen en Diest bij een te zoeken, en beloof u een vijf zes zanters[12] uit Limburg die hun jongensbest zullen doen. Maar nu moeten wij U ook eens iets vragen. Welke zijn de beste en bestekoopste boeken om het Angelsaksisch aan te leeren waar volgens Loquela het Limburgsche veel meê in verband is, om goede vlaamsche woorden en goeden zuiveren vlaamsche stijl te leeren gebruiken en krijgen, om de afleidkunde te leeren en de woordontleedkunde? Zou bijvoorbeeld deze afleiding van het woord Kempen, goed zijn?[13]

Kempen komt van emp (oude stam die ledig zou beteekenen). Zoo: Kempen = ge (≠ k) empte of ge-empen (streek, land). Land dus dat geledigd is bijv van bosschen, of water, gelijk ons arm landeken er waarlijk uitziet?

Zou vol = ge - hol zijn ge- privans?[14]

Zou Maeseyck van Maes - eek (hoek) en niet van Maes - eik (chêne) komen gelijk 't op 't wapen van dat stedeken staat? [15]

Zou Beeringen of Behringen gelijk men eertijds schreef niet komen van bairan[16] en ing = vruchtbare plaats? De sage meldt nochtans dat te Beeringen de eerste beer geringd werd (!)[17]p4 Zou Hasselt van hazelaar komen? Er staat nochtans een hazelaar op 't wapen dier stad.

Nu schei ik uit, Wel Eerweerde Heer, u vergiffenis vragende over mijn stout en al te lang schrijven, en groete u heel eerbiedig en genegen in Christo.

Mr Lewylle groet u insgelijks. Volgens men hier verteld heeft moet gij met den Grooten Ommegang[18] alhier in 't Seminarie naar hem gevraagd hebben.[19] Hij heeft er bitter spijt van dat hij niet te huis was. Of het waar was en weet niemand; een waal heeft het rondgestrooid.

August Cuppens theologie student
Seminarie
Luik 16 Juni 1883.

Noten

[1] Vertaling (Latijn): Geloofd zij Jezus Christus.
[2] Gepubliceerd in A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 1, p. 1-3. Cuppens noteerde onderaan: “Wat deze echte studentenbrief mij zweet en angst gekost had; hoe ik bang wierd toen hij verzonden werd enz. zal ik maar zwijgen!” Op p.3-5 publiceert hij Gezelles antwoordbrief.
[3] WNT 1500-heden: “Groote hoeveelheid, menigte; vooral in de uitdrukking eene macht van, vroeger zonder lidwoord: macht van. Verg. lat. vis, fr. force.”
[4] Vertaling (Grieks): gevleugelde woorden. Dat is een beroemde uitdrukking uit de epen van Homerus. De vaste uitdrukking duidt in de orale traditie op gesproken woorden, niet op geschreven woorden.

G. Gezelle, Zantekoorn. In: Loquela: 2 (Wiedmaand 1881) 1, p. 9: “ Zantekoorn dat is vlaamsche woorden, woordengedaanten of woordenbeteekenissen, die ongeboekt, mijns wetens, en tot nog toe ‘épea pterôënta’, d. i. vluchtig gebleven waren.”

[5] Verscheidene, meerdere, tal van.
[6] Kwaad geld, hier in ironische betekenis: als iemand die opvalt, invloed heeft, misschien wat onrust veroorzaakt, maar daardoor ook bewondering afdwingt (vooral bij jongeren).
[7] Jonge taalbewuste of Vlaamsgezinde Limburgers.
[8] G. Gezelle, Volledige dichtwerken. Leuven: K. Fonteyn. Vanaf dl. 2 ook bij J. de Meester te Roeselare. In 1878: Dichtoefeningen (2e ed.); Kerkhofblommen (4e ed.), 1879: Gedichten, gezangen en gebeden (2e ed.), 1880: Liederen, eerdichten et reliqua (1e ed.)
[9] Guido Gezelle heeft begrip voor de kosten die August Cuppens al maakte, en nog moet maken voor deze twee boeken. In zijn antwoordbrief van juni 1883 aan Cuppens schrijft Gezelle: ”Mijne Kerkhofblommen en ander zulk werk zal ik u in ’t korte zenden gratis en ten bewijze van dankbaarheid over uw gedaan en beloofd werkzaam zijn, ten voordeele der zake die mij onder hare dienaars telt”.
[10] In 1883 publiceerde Lodewijk De Koninck het tweede deel van Het Menschdom Verlost (1874). Na het verlies van de pauselijke staten, de schoolstrijd en het verdwijnen van de liberalen uit de Belgische politiek werd dit ultramontaanse geschrift warm onthaald door de katholieken en verwierf de dichter grote bekendheid.
[11] Landliederen van Karel de Gheldere werden op voorspraak van Guido Gezelle door de Brugse drukker, Edward Gaillard, gepubliceerd in 1883. Het dichtwerk oogstte lovende kritieken in de pers. In: Het Belfort: (1888) 3 p. 43-45.
[12] Taalverzamelaars.
[13] A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 2 noteerde Cuppens de volgende voetnoot: ”Deze vragen wierden mij ingeblazen door den slimmen C. L. Coob Lenaerts die destijds allerlei ... Keltische woorden wou vinden in ’t Limburgsch en mij belast had met de ”kaal commissie” van aan Gezelle te schrijven. Hij wilde deze brief niet teekenen.”
[14] ‘Privans’ verwijst naar 'alpha privans', een begrip uit de Griekse taalkunde. De letter alpha of 'a' wordt voor een woord geplaatst om een ontkenning of afwezigheid van de betekenis van het woord aan te duiden. Denk aan 'a-theïsme'. Cuppens bedoelt: ge - hol is de ontkenning van ’hol‘ en betekent dus ’vol’.

In zijn antwoordbrief van juni 1883 aan Cuppens wijst Gezelle hem op een redeneerfout: “Vglk pater = vader p = v, t = d, in ‘t latijn. v in vol is aan dezelfsten gang onderworpen, te weten p = v, vol = pel = ple – dat te vinden is in ple-re, ple-nus dat is een voorbeeld, zoekt er meer, maar op geen anderen weg”.

[15] In zijn antwoordbrief aan Cuppens schrijft Gezelle: ”Plaatsnamen ontleden en uitleggen is ’t moeielijkste van al; eerst moet gij de oude schrijfwijze, de oudste liefst van al, achterhalen en oefenen, anders geen uitkomen. (...) Maas-eyk is waarschijnlijkst van al de eyk (aan de) Maas.”

Hij denkt waarschijnlijk aan het oudere kerkdorp Aldeneik dat later overvleugeld werd door Maaseik.

[16] J. Wright, Grammar of the Gotic Language, Glossary. Oxford, Clarendon Press, 1921, p. 309: ”Bairan: to bear, carry, bring forth (vertaling (Engels): dragen, in verwachting zijn, voortbrengen of baren).”

F. Debrabandere, West-Vlaams etymologisch woordenboek, De herkomst van de West-Vlaamse woorden. Amsterdam/Antwerpen: J.L. Veen (Het Taalfonds), 2002: “Got. baíran, Ohd. heran ‘dragen’.”

MNW 1250-1550: “Got. bairan; ohd. beran; mhd. bërn; skt. bhar; lat. fero; eng. to bear. Dragen.”

[17] In zijn antwoordbrief van juni 1883 aan Cuppens schrijft Gezelle: ”Beringhen zal eertijds Beringaheim geweest zijn = le retranchement des enfants de Behr! De plaats waar de familie Behr eerst woonde. enz.”
[18] Tijdens deze jaarlijkse processie in Luik draagt de priester op de tweede donderdag na Pinksteren het Heilig Sacrament doorheen de straten van de stad. De Belgische augustines en mystica, de Heilige Juliana van Cornillon (1193-125), priorin van het klooster van Mont Cornillon te Rettine (Luik), had, na een visioen, geijverd voor de instelling van dit plechtig liturgisch feest. Aldus werd Sacramentsdag voor het eerst te Luik gevierd in 1246. Paus Urbanus IV riep in 1264 Sacramentsdag uit tot officiële feestdag voor de universele Kerk.
In 1883 had de Grooten Ommegang plaats op donderdag 24 mei.
[19] In zijn antwoordbrief van juni 1883 aan Cuppens schrijft Gezelle: ”Mr Dejonkheere, mijn medeonderpastoor is naar Ludike komen beêvaarden, hij heeft achter Arthur gevraagd; ik blijve meest thuis.”

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLuik

Naam - persoon

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamDe Bo, Leonard Lodewijk; Leenaert
Datums° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
GeslachtMannelijk
Beroephulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/07/1873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamDe Koninck, Lodewijk
Datums° Hoogstraten, 30/10/1838 - ✝ Retie, 22/03/1924
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; inspecteur; dichter
BioLodewijk De Koninck studeerde aan de Normaalschool te Lier. Op 31/03/1865 ging hij in Antwerpen wonen en was er werkzaam als onderwijzer. In 1879 werd hij provinciaal inspecteur van de katholieke basisscholen. Hij was ook docent aan de normaalschool van Mechelen. Als dichter was hij vooral bekend om zijn epos Het menschdom verlost (1883) en zijn gelegenheidspoëzie (Gemengde gedichten, 1878). Hij schreef vooral katholiek geïnspireerde verzen. Nolet de Brauwere van Steeland uitte kritiek op zijn heldendicht. De Koninck werd verdedigd door Hendrik Claeys.
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamDe Gheldere, Karel
Datums° Torhout, 18/08/1839 - ✝ Koekelare, 17/07/1913
GeslachtMannelijk
Beroeparts; dichter
BioKarel De Gheldere was een oud-leerling van Gezelle te Roeselare (poësis 1858-1859). Gezelle schreef een aantal gedichten voor hem waaronder 'Tranen' en ‘Zoo welkom als de bie’ (1859). Na zijn retorica (1859-augustus 1860) volgde De Gheldere een korte periode filosofie aan het kleinseminarie in het schooljaar 1860-1861 met het oog op het priesterschap. Hij verzaakte evenwel aan een priesterroeping en studeerde vanaf januari 1861 geneeskunde te Leuven, waar hij in 1865 met onderscheiding afstudeerde. Hij vestigde zich als arts in Koekelare. Hij was een levenslange vriend van Gezelle, die een aantal van zijn gedichten aan hem heeft opgedragen. Zelf publiceerde hij de dichtbundels Jongelingsgedichten (1861), Landliederen (1883) en Rozeliederen (1893). In de Landliederen komt een wisselgedicht met Gezelle op de nachtegaal voor. Hij was corresponderend (1889) en werkend lid (1892) van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; zanter (WDT); lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; gedichten
BronnenH. Verriest, Twintig Vlaamsche koppen. Leuven, 19234, p.30-49; R. Seys, De dichter van de rozen. Koekelare. 1958 R. Seys, Dr. Karel de Gheldere. Wat land- en rozeliederen. In: VWS-Cahiers: 2 (1967) 8.
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)

Naam - plaats

NaamBeringen
GemeenteBeringen
NaamDiest
GemeenteDiest
NaamHasselt
GemeenteHasselt
NaamLuik

Naam - instituut/vereniging

NaamGrootseminarie Luik
BeschrijvingHet Grootseminarie van Luik werd opgericht als priesteropleiding voor het bisdom Luik in 1592. Sinds 1804 is het gevestigd in de door de Franse Revolutie opgeheven St.-Norbertusabdij van Luik, samen met het Prins-Bisschoppelijk Paleis. Vanaf 1840, na het ontstaan van België, diende het voor de opleiding van priesterstudenten (filosofie en theologie) van de bisdommen Luik en Limburg, tot in 1967 het bisdom Hasselt werd opgericht. Op dit moment is het een onderdeel van het interdiocesaan seminarie Notre Dame te Namen.
Datering1592-heden

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelKerkhofblommen (Kerkhofbloemen)
Links[gezelle.be]
TitelLiederen, eerdichten et reliqua
Links[gezelle.be]
TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelHet Menschdom Verlost
Auteurde Koninck, Lodewijk
Datum1874
PlaatsAntwerpen
UitgeverL. Beerts
TitelLandliederen: gedichten
AuteurDe Gheldere, Karel
Datum1883
PlaatsBrugge
UitgeverEdward Gailliard

Titel16/06/1883, Luik, August Cuppens en [Leonard Willem Jakob Lenaerts] aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen, Cuppens August en Lenaerts Leonard Willem Jakob aan Gezelle Guido, Luik, 16/06/1883. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Verzender[Lenaerts, Leonard Willem Jakob]
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum16/06/1883
VerzendingsplaatsLuik
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens; tweede adressant gereconstrueerd op basis van de publicatie: brief is in handschrift van Cuppens, volgens publicatie geschreven namens Cuppens en L. Lenaerts; in de publicatie beschrijft Cuppens zijn gevoelens: “Wat deze echte studentenbrief mij zweet en angst gekost had; hoe ik bang wierd toen hij verzonden werd enz. zal ik maar zwijgen!”
Gepubliceerd inDe eerste “’t Daghetjongens“ en Guido Gezelle. / door August Cuppens. - In: ‘t Daghet in den Oosten. - Jrg. 26 (1910) nr.1, p. 1-3
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5340
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.11648
Inhoud
IncipitWij hebben al hier,in 't Seminarie van Luik,
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.