Bij het verschijnen van “Onze Dageraad”[1] reken ik ‘t mij ten plichte UE te verzekeren van de gevoelens van dankbaarheid en verkleefdheid die de Jonge Taalvrienden ten uwen opzichte koesteren. De twee schoone[2] die uwe welwillendheid ons heeft gelieven te schenken, zijn ons van grooten dienst geweest.
Onder de schaduwe van uwen naam[3] hebben wij ons boekje de wereld ingezonden, en dit was genoeg om het met gulhertigheid te doen ontvangen. Ja, met geestdrift heeft men hier onze pogingen toegejuicht, onze benijders zelf, die van het lang wegblijven van “Onze Dageraad” gebruik maakten om ons zoo wat belachelijk te maken, zwegen, als zij hem voor hunne oogen zagen -
Dit is ons eene goede aanmoediging voor het toekomende. Ook zijn we reeds ijverig bezig eenen tweeden bundel[4] in gereedheid te[5]p2 brengen; waarschijnlijk zal hij onder de groote vakantie klaar zijn - Zouden wij nog eens het genoegen mogen smaken een uwer stukjes in onzen bundel op te nemen? - Uwe belangstelling in ons pogen laat mij toe het te verhopen.







