+
Innig ben ik getroffen geweest toen ik vernam dat de gevoelvolle Westvlaamsche Dichter zijne goedkeuring had gegeven aan “De Jonge Taalvrienden” en een stukje[1] voor hunnen Bundel[2] had gelieven op te zenden. Waarlijk dit ging mijne verwachting te boven. Door uwe puike schriften had ik reeds lang in U een heldhaftige strijder herkend voor de schoonste en heiligste der zaken, voor de katholieke Vlaamsche beweging; doch ik dorst niet verhopen U ooit als welwillende medewerker der Jonge Taalvrienden te mogen bedanken. Mij docht, de afstand tusschen, p2Ue, Zeer Eerw. Heer, en de nog onbekende Jonge Taalvrienden was te groot om ooit U als onzen leidsman te zien optreden. Doch welke blijde verrassing: ik had mij bedrogen! Uwe goedheid heeft mijne verwachting overtroffen. Ontvang er mijnen hertelijksten dank over.
Gij zult het mij niet ten kwade duiden zoo ik, verstout door de genegenheid die gij ons toedraagt, U nog iets durf vragen. Mag ik nog een stukje van uwe meesterlijke hand voor ons boekje verwachten? Mag ik op den Prospectus[3] zetten: door welwillende er H.H. A Snieders, L. De Koninck en G. Gezelle? Dit zou ons eene goede aanbeveeling zijn.
In afwachting welhaast een woordje antwoord te ontvangen, opdat ik den Prospectus den drukker zou kunnen overhandigen, groet ik u van herte in naam der Jonge Taalvrienden p3en noem mij met den grootsten eerbied







